Met alle begrip voor de complexiteit van bestuur valt toch op dat er bestuurders zijn die er een potje van maken, zonder dat we hieraan duidelijke consequenties verbinden. Hoe zijn we hier terechtgekomen?
Verantwoordelijkheid nemen of afleggen impliceert het bestaan van een gedeelde norm, waarmee individueel gedrag en bestuurlijke acties kunnen worden beoordeeld. Dit vereist een normatief kader dat boven individuele voorkeuren uitstijgt en richting geeft aan handelen. Echter, in de huidige realiteit van het moderne ego ontbreekt dit gemeenschappelijke kader steeds vaker.
Voor het moderne ego is zelfreflectie een strikt persoonlijke zaak geworden. Of het nu gaat om een misdaad, beleidsfout of veranderde mening: we beoordelen ons eigen handelen steeds minder volgens collectieve normen en steeds vaker vanuit persoonlijke maatstaven. Elke handeling wordt gerechtvaardigd vanuit de eigen situatie: „Op dát moment, met déze kennis, onder dié omstandigheden was dit de beste keuze.” Wat achteraf wellicht als fout of tekortkoming wordt gezien, ervaart het ego als logisch en verdedigbaar binnen de toen geldende context.
In deze context wordt verantwoordelijkheid een subjectieve constructie. Het bredere referentiekader, dat vroeger hielp om daden objectief te wegen, verliest zijn betekenis. Individuele handelingen en meningen worden uitsluitend door het eigen perspectief gevalideerd. Het resultaat is een samenleving waarin verantwoording afleggen niet meer als collectieve interactie wordt gezien, maar als een aantasting van persoonlijke autonomie. Het aanspreken van iemand op zijn handelen voelt hierdoor steeds vaker als grensoverschrijdend, als een aanval op persoonlijke vrijheid. We merken dit in het dagelijks leven, van mens tot mens, maar ook steeds nadrukkelijker bij bestuurders.
Deze verschuiving heeft verstrekkende gevolgen. Wanneer het ego zich afsluit voor externe feedback – zelfs wanneer deze feedback zorgvuldig en gematigd wordt gegeven – ontstaat er een cultuur waarin elke oproep tot verantwoordelijkheid weerstand oproept. Wat overblijft, is een veld vol fragiele ego’s, waarin correcties en gesprekken al snel leiden tot gekwetste gevoelens, defensieve reacties en verdere verwijdering. In zo’n klimaat verdwijnen persoonlijke en bestuurlijke overtredingen uit het zicht of worden zelfs genormaliseerd, terwijl relaties steeds kwetsbaarder worden. Wanneer onze instituties, die toch al onder druk staan, hun vermogen verliezen om zichzelf te corrigeren, staat hun legitimiteit uiteindelijk op het spel.