Een psychosociale analyse van een fysieke reactie
Het zal je misschien verbazen, en misschien ook juist niet, maar er wordt steeds meer gewalgd. Althans, wie het publieke debat een beetje volgt, kan die indruk gemakkelijk krijgen. Politici zijn niet langer dom, onbetrouwbaar, opportunistisch of gevaarlijk, maar ‘walgelijk’. Opvattingen die ons tegenstaan zijn ‘toxisch’, en door sommige publieke figuren worden mensen fysiek misselijk. En dat verschijnsel lijkt minder figuurlijk dan het klinkt. Psychologen die proefpersonen confronteren met politici van de tegenpartij vinden niet alleen meer gerapporteerde walging, maar meten ook fysiologische reacties die met walging samenhangen. Ander onderzoek laat zien dat politieke boodschappen die een onderwerp moraliseren gevoelens van walging kunnen oproepen. Het maatschappelijke debat verhardt niet alleen; de aard ervan verandert: het wordt giftig.
Nu geeft de geschiedenis weinig aanleiding om het verleden te idealiseren als een tijd waarin tegenstanders elkaar hoofdzakelijk met argumenten bestreden en na afloop, tevreden over de kwaliteit van het debat, samen een biertje gingen drinken. Mensen hebben elkaar sinds mensenheugenis als vuil, onrein, ziek of besmettelijk voorgesteld en de politieke geschiedenis bevat daarvan voorbeelden die te gruwelijk zijn om walging als een nieuw verschijnsel van onze tijd te presenteren. Walging is dus al een oude politieke en sociale emotie, maar het interessante is dat het vocabulaire van besmetting terug is van weggeweest. En dat in een cultuur die zichzelf al lange tijd ziet als rationeel, geïndividualiseerd en democratisch.
Daarbij valt iets op aan onze taal. Het woord ‘toxisch’ heeft zich in betrekkelijk korte tijd ver buiten het scheikundelokaal verspreid. Toxic werd in 2018 door Oxford Dictionaries uitgeroepen tot woord van het jaar vanwege het sterk toenemende gebruik van het woord en zijn vermogen om de culturele tijdgeest samen te vatten. We kennen inmiddels toxische relaties, toxische werkomgevingen, toxische culturen, toxische mannelijkheid, toxische retoriek en toxische politiek. Vrijwel alles waaraan twee mensen deelnemen, lijkt tegenwoordig giftig te kunnen zijn.
Met gif kun je niet praten
Dat we tegenwoordig zoveel toxisch noemen kan natuurlijk gewoon de gebruikelijke inflatie zijn waaraan een succesvolle metafoor ten prooi valt, maar de keuze voor juist deze metafoor is wezenlijk. Met gif kun je namelijk niet praten. Een politieke tegenstander heeft, hoe lastig dat soms ook is om te erkennen, een perspectief, een geschiedenis, bedoelingen en argumenten, en zelfs gevoelens. Gif heeft niets van dat alles. Gif hoeft niet begrepen te worden en kan niet tot een ander inzicht komen. Je hoeft je niet af te vragen wat het heeft meegemaakt, waarom het denkt zoals het denkt of dat er misschien iets in zijn waarneming zit wat jij over het hoofd hebt gezien. Gif wordt geïdentificeerd, geïsoleerd en verwijderd. Wie een mening als toxisch ervaart, zegt daarom ongemerkt iets anders dan dat hij haar buitengewoon afkeurenswaardig vindt. Hij verandert ook de status van degene die haar verkondigt.
Van oordeel naar reflex
Precies dat maakt walging psychologisch interessant. Wanneer ik zeg: ‘ik vind wat jij zegt onjuist, gevaarlijk of moreel verwerpelijk’, bevindt zich tussen mij en jouw uitspraak nog een mentale ruimte. Ik ben degene die een oordeel vormt over iets wat jij zegt en, hoe hartstochtelijk dat oordeel ook mag zijn, kan ik mij er in beginsel nog toe verhouden. De psychiater Viktor Frankl zei daarover: ‘Tussen stimulus en respons is een ruimte. In die ruimte ligt onze macht om onze respons te kiezen.’ Bij walging kan die tussenruimte verdwijnen. Jij zegt iets en mijn reactie is: bah!
Dat is de eerste betekenis waarin ik walging regressief noem. Niet omdat emoties primitief zouden zijn en rationaliteit verheven, maar omdat de representatie plaatsmaakt voor de onmiddellijkheid van de ervaring zelf. Het regressieve zit niet in de plaats waar de emotie in het brein zou wonen, maar in de verhouding die ik tot mijn eigen ervaring inneem.
Daarmee gebeurt nog iets anders. Eerst zeg ik: ‘ik vind wat jij zegt walgelijk’. Even later: ‘wat jij zegt is walgelijk’. De grammaticale verschuiving is klein, maar psychologisch aanzienlijk. Mijn gemoedstoestand is een eigenschap van de buitenwereld geworden. Ik kan iemand niet verdragen en hij wordt onverdraaglijk; ik walg van hem en hij wordt walgelijk; ik reageer lichamelijk op zijn aanwezigheid en hij maakt mij misselijk. De oorzaak van mijn innerlijke toestand verhuist naar buiten, terwijl mijn eigen aandeel erin verdwijnt.
De onwillekeurige reactie is bij bedorven voedsel een effectief mechanisme. Wie bij een verdachte slok eerst uitgebreid wil onderzoeken of zijn walging kennistheoretisch wel voldoende gerechtvaardigd is, heeft evolutionair gezien een probleem. Uitspugen en afstand nemen is meestal verstandiger. Walging is juist effectief doordat zij de omweg via reflectie overslaat.
Een politieke opvatting bevat echter geen bacterie. De intensiteit van mijn reactie kan mij niettemin het tegenovergestelde suggereren: omdat mijn lichaam zo krachtig reageert, moet er buiten mij kennelijk iets bestaan wat die reactie veroorzaakt en rechtvaardigt. De buitenwereld lijkt gevaarlijker te zijn geworden, terwijl in werkelijkheid vooral mijn verhouding tot die buitenwereld is veranderd. Ik ben, om het alledaagser te zeggen, een dramaqueen geworden.
Het zou niet erg zijn als het alleen om een beetje emotionele overdrijving ging. Maar er is sprake van een tweede regressief effect. Terwijl ik mijn reactie externaliseer, depersonaliseer ik de ander. Hij verliest zijn status als subject doordat hij giftig of besmettelijk wordt, terwijl ik het eigenaarschap over mijn eigen reactie verlies doordat mijn afweer als onvermijdelijk wordt gepresenteerd. ‘Ik kan er niets aan doen, ik word werkelijk fysiek misselijk van die man.’ Waar eerst twee mensen stonden die het hartgrondig met elkaar oneens waren, ontstaat zo een biologisch aanzienlijk simpeler systeem: toxine en afweerreactie.
Daarmee wordt de vraag waarom juist onze tijd zo ontvankelijk lijkt voor dit idioom interessanter dan de walging zelf. We leven immers in een cultuur die buitengewoon veel waarde hecht aan reflectie, kennis en rationaliteit. We zijn hoogopgeleid, beschikken over vrijwel onbeperkte informatie en begeleiden het publieke handelen met onderzoek, deskundigheid, data en modellen. Juist daarom is het verleidelijk de moderniteit te beschrijven als een grotendeels succesvol verhaal van toenemende kennis en beheersing, waaraan pas de laatste tijd enige grenzen zichtbaar worden. Maar daarmee zouden we de zaak te eenvoudig voorstellen.
De aanspraak op maakbaarheid
De Verlichting heeft niet alleen onze kennis vergroot, maar vooral een bepaalde manier van kennen buitengewoon succesvol gemaakt: analyseren, onderscheiden, specialiseren en vervolgens ingrijpen. Dat leverde concrete maakbaarheid op. Ziekten werden behandelbaar, natuurkrachten beheersbaar en maatschappelijke instituties veranderbaar. Maar uit het bestaan van maakbaarheid volgt geen aanspraak op maakbaarheid.
Juist het succes van deze manier van kennen heeft een steeds verder gedifferentieerde werkelijkheid voortgebracht. Onze beheersing van de onderdelen nam spectaculair toe, terwijl de samenhang van het geheel ons steeds meer ontglipte. De wereld werd op onderdelen maakbaarder en als geheel minder maakbaar en dus minder bestuurbaar. Toch leidde die afnemende beheersbaarheid niet vanzelf tot bescheidenheid. Naarmate onze mogelijkheden toenamen, groeide ook de verwachting dat de werkelijkheid zich volledig zou laten kennen, sturen en corrigeren. Juist wanneer de feitelijke macht afneemt, wordt de onmacht ondraaglijk.
Iets vergelijkbaars voltrok zich in de geest. Traditie, autoriteit en gemeenschap verloren hun vanzelfsprekendheid en het individu werd vrijer om zijn eigen leven en werkelijkheid te bepalen. Dat was emancipatie, maar het betekende ook dat verschillende werkelijkheden naast elkaar kwamen te staan. De versplinterde geest ontmoette de versplinterde wereld. Precies daar verschijnt de democratie in een ander licht.
Democratie als oefening in verdragen
Democratie was niet alleen een manier om politieke macht vreedzaam te verdelen. Zij was ook een cultureel antwoord op de consequenties van de emancipatie. Zodra mensen werkelijk als individuen worden erkend, ontstaat er immers een noodzakelijk verschil. De ander is pas werkelijk autonoom wanneer hij niet verplicht is mijn werkelijkheid te delen. Democratie institutionaliseert precies die onaangename ontdekking: dat mensen die over dezelfde rechten beschikken en naar dezelfde wereld kijken toch tot verschillende conclusies kunnen komen.
In die zin was democratie een van onze belangrijkste culturele instrumenten tegen walging. Niet omdat democratische burgers elkaar leerden liefhebben of omdat politiek ineens rationeel werd, maar omdat er tussen afkeer en uitsluiting een institutionele en psychologische ruimte werd gecreëerd. Ik mocht jouw opvattingen bestrijden, ridiculiseren en moreel verwerpelijk vinden, maar jij bleef een subject. Je kreeg spreektijd, rechtsbescherming en een stem. En wanneer voldoende andere burgers jouw opvatting deelden, moest ik verdragen dat zij politieke werkelijkheid werd.
Dat woord, verdragen, raakt misschien de kern. Democratie is, behalve een bestuursvorm, ook een oefening in werkelijkheidsverdraagzaamheid. Zij vraagt niet dat ik de werkelijkheid goedkeur, maar dat ik haar bestaan erken, juist wanneer zij niet met mijn overtuigingen samenvalt.
Als de ander niet verdwijnt
Daarmee wordt de andere mens een bijzonder pijnlijke verschijning. Hij is niet zomaar iemand met wie ik van mening verschil. Hij belichaamt de grens van mijn werkelijkheid. We hebben immers allebei toegang tot de feiten. Ik leg hem uit wat er aan de hand is, verwijs naar de wetenschap, corrigeer zijn misverstanden en geef hem desnoods nog een link. En toch komt hij niet tot mijn conclusie.
Voor het democratische bewustzijn zou dat het begin van de politieke vraag moeten zijn. Voor het maakbaarheidsbewustzijn betekent dit het einde van het geduld.
Aanvankelijk veronderstellen we dat de ander het niet begrijpt. Maar als de feiten werkelijk zo duidelijk zijn en hij ze kent, waarom denkt hij dan nog steeds iets anders? Langzaam verschuift de verklaring van zijn verstand naar zijn karakter. Hij begrijpt het niet meer alleen verkeerd, hij wil het niet begrijpen. Hij is onverantwoordelijk, kwaadaardig, gecorrumpeerd of moreel verdacht. Het verschil van inzicht wordt een tekort van de ander. En wanneer zelfs die moralisering hem niet doet verdwijnen, resteert een nog fundamentelere grens. ‘Ik walg van hem.’ Wat ik niet kan veranderen, kan ik tenminste afstoten.
Hier verschijnt een paradox die kenmerkend lijkt voor het moderne bewustzijn: naarmate onze feitelijke greep op de werkelijkheid afneemt, kan onze pretentie haar te beheersen juist toenemen. Wat maatschappelijk leidt tot meer sturing, regels en interventies, kan zich individueel vertalen in meer overtuiging, moralisering en uiteindelijk affect. Eén mogelijkheid blijft daarbij zorgvuldig buiten beeld: dat niet noodzakelijk de werkelijkheid tekortschiet, maar mijn verhouding ertoe.
Juist daarin ligt de diepste regressie. De moderniteit heeft ons geleerd de werkelijkheid te objectiveren, maar de walging objectiveert uiteindelijk onze eigen subjectiviteit. ‘Ik kan dit niet verdragen’ verandert in ‘dit is onverdraaglijk’. Mijn grens wordt de grens van het toelaatbare. Mijn gemoedstoestand wordt de kennis over de werkelijkheid.
En zo keert een zeer oude categorie terug. Niet waar of onwaar, maar zuiver of besmet; niet redelijk of onredelijk, maar veilig of toxisch; niet iemand met wie ik het oneens ben, maar iemand van wie de nabijheid mij bedreigt.
Misschien is zij daarom wel de overtreffende trap van polarisatie. Polarisatie veronderstelt tenminste nog twee polen die, hoe ver van elkaar verwijderd ook, elkaars bestaan bevestigen. Walging wil van de andere pool af.
De democratische beweging is precies de tegenovergestelde. Zij vraagt niet dat we minder overtuigd zijn of alle waarheden relatief maken, maar dat we overtuigd kunnen blijven terwijl de ander blijft bestaan. Ik kan gelijk hebben zonder dat daaruit volgt dat jij moet verdwijnen.
Misschien begint volwassenheid daarom met een tamelijk bescheiden gedachte: mijn walging is werkelijk, maar zij is van mij. Mijn politieke oordeel hoeft daardoor geen millimeter te verschuiven. Wat terugkeert is alleen de psychische ruimte tussen mij en mijn reactie, en daarmee tussen mij en de ander. In die ruimte kan ik waarnemen, denken, oordelen, bestrijden en misschien zelfs nog lachen, zonder dat de ander eerst tot gif hoeft te worden verklaard.
Misschien is dat uiteindelijk wat de democratische beschaving van ons vraagt: niet dat we de werkelijkheid aardig vinden, maar dat we haar kunnen verdragen zonder onze afkeer tot een eigenschap van die werkelijkheid te verheffen.
En zo is walging niet de reactie van een intellectueel met een vlijmscherpe analyse en een onconventionele maar geëngageerde mening (alternativlos!), maar een regressieve uiting van een maakbaarheidsideoloog die niet kan verdragen dat de werkelijkheid zich niet houdt aan zijn opvattingen.