De ondraaglijkheid van de schaterlach

Een psychosociale analyse van ons gevoel voor humor en de moraal

Where is Larry David?

Het ontleden van humor als verschijnsel heeft iets tragisch. Het is als een mop die je moet uitleggen: laat dan maar zitten. De clou is juist die onverwachte wending binnen een kader dat we allebei kennen. Toch is deze anatomische les onvermijdelijk, want de patiënt op onze snijtafel, het menselijk vermogen tot bevrijdende, ongemakkelijke humor, is er niet best aan toe.

Mijn eigen schok over dit drama voltrok zich niet in de snijzaal, maar thuis op de bank. Een van mijn favoriete series is Curb Your Enthusiasm (2000) waarin Larry David, medebedenker van Seinfeld, zichzelf speelt. Larry David is misschien het best te beschrijven als een filosoof van de dagelijkse sociale orde, vermomd als een onuitstaanbare kerel.

Wat Curb Your Enthusiasm zo goed maakt, is niet in de eerste plaats dat Larry grappige observaties doet. Het fundamentele mechanisme van Curb is dat Larry sociale conventies expliciteert die alleen kunnen functioneren zolang ze verborgen blijven. Een groot deel van het sociale leven bestaat immers uit ficties waaraan iedereen beleefd meewerkt. We doen alsof we een gemiste uitnodiging oprecht betreuren terwijl we eigenlijk opgelucht zijn; alsof een cadeau ons écht bevalt; alsof we iemand toevallig niet zagen; alsof degene die je uitnodigt voor een verjaardag en zegt: “je hoeft echt niets mee te nemen”, werkelijk bedoelt dat je niets hoeft mee te nemen. Vrijwel altijd heeft Larry vanuit de logica een punt, terwijl hij menselijk gezien de situatie volledig ruïneert. Ik vind dat uiterst komisch. En dat is precies wat een grap doet: een sociale conventie transparant maken.

Spoel door naar het heden. In Life, Larry and the Pursuit of Unhappiness zien we dezelfde Larry David, uitgedost als een figuur uit de achttiende eeuw, die met een opgestoken vingertje figuren uit de Amerikaanse geschiedenis vermanend toespreekt over hun maatschappelijke misstappen. Waar de kijker ooit dubbel lag om de onbevreesde taboebestrijder Larry David, die zelf een kleinzielig burgermannetje was, wordt hij nu getrakteerd op een zedenpreker in kostuum. De rebel is dominee geworden.

Maar wat we hier bij Larry David observeren, staat niet op zichzelf. Het verspreidt zich als een olievlek over ons medialandschap en onze interacties. Wat is er met ónze culturele orde gebeurd, waardoor humor niet meer primair ontregelt, maar zich moreel moet legitimeren?

Hoe het zo kwam

Er is altijd gelachen en er is altijd gespot. Het is een fenomeen van het menselijk bewustzijn: het vermogen om het menselijk tekort op te merken en erom te glimlachen. Aristoteles rekende gevatheid al tot de deugden. De middeleeuwen kenden het carnaval, waarin de sociale rangorde voor enkele dagen werd omgekeerd. En de koning had een hofnar, die alles mocht zeggen wat niemand anders mocht zeggen.

Maar hoe menselijk de humor ook was, hij was begrensd: op de aangewezen dag, binnen een kader, waarna de orde ongeschonden werd hersteld. De nar mocht alles omdat hij ongevaarlijk was. De lach had een hek om zich heen, en juist dat hek maakte hem mogelijk. Buiten die orde was parodie of satire vaak heiligschennis; het kon je je kop kosten.

En toen verdween God, raakte de kerk leeg en het “ik” dat voor God in de plaats kwam kon zijn eigen gedachten en gevoelens serieuzer nemen. De logische consequentie van de opkomst van het ik was ook de ander, het “jij”, waar je alles tegen mocht zeggen, en die ander mocht ook een autoriteit zijn. Opeens kon een individu het establishment vrijelijk bespotten en dat was voorheen ondenkbaar. In de moderne samenleving van de jaren 70 werden zo satire en ironie voor de gevestigde orde een ultieme blijk van intellectuele volwassenheid en relativering. De cabaretier Wim Kan ridiculiseerde de minister op de bühne, terwijl de minister zelf in de zaal zat te schateren.

Maar parodie en satire zijn kunstvormen die om werkzaam te zijn nog iets meer nodig hebben dan alleen vrijheid: een herkenbaar gezag, een gedeeld beeld van de werkelijkheid waartegen het individu zich kan afzetten. Chaplin had Hitler nodig in The Great Dictator, Spitting Image had een kabinet nodig, en Van Kooten en De Bie hadden een Nederland nodig dat zijn eigen alledaagse lulligheid herkende in hun typetjes. Satire bespot de dominante orde, anders bestaat zij niet.

Opeens verschoof de aandacht. Waar Van Kooten en De Bie Nederland nog herkenbaar uitvergrootten, schoof Jiskefet de fictie al een stuk dichter naar de werkelijkheid. Debiteuren Crediteuren, de Lullo’s: het was verzonnen, maar het had zomaar echt gebeurd kunnen zijn. De parodie begon op reality-tv te lijken voordat reality-tv bestond. Waar we ons voorheen nog verheugden op klassieke komedies als Frasier of Yes, Minister, schoven we plots met popcorn en cola voor de buis voor Big Brother. Waarom zou je iemand nog parodiëren als de realityster dat zelf veel beter kan? Naarmate het individu zelf belangrijker wordt dan de rol die hij binnen een gedeelde orde vervult, wordt de platte alledaagse werkelijkheid blijkbaar interessanter dan de parodie daarop. Reality-tv ruimde de intellectuele dubbele bodems op en verving ze door het exhibitionisme van het ongeremde ego voor de camera en een snufje voyeuristische superioriteit van de kijker voor de buis. Exhibitionisme en voyeurisme, uiterst menselijke eigenschappen, misschien niet de chicste, kregen vrij spel.

De ontwikkeling bereikte haar climax toen de werkelijkheid de satire definitief inhaalde. Met de opkomst van figuren wier dagelijks optreden grotesker was dan welke imitatie ook, verdampte het objectieve referentiekader. In 2017 zei acteur Alec Baldwin over zijn imitatie van Donald Trump op Saturday Night Live:

“Playing Trump is not a lot of fun. He’s tense, he’s angry… We’re just repeating back what he says. Doing this is strange, but what is even more strange is that it is real.”

Zo belandden we in een tijdperk waarin de dagelijkse en feitelijke verschijning van een van de hoogste autoriteiten ter wereld niet meer te onderscheiden was van de best denkbare parodie van diezelfde persoon. Als de persoon niet meer afsteekt tegen het ambt, maar de karikatuur en de werkelijkheid samenvallen, verdwijnt de afstand. En met de afstand de autoriteit. Wat overblijft, is een echo die misschien opmerkelijk is, maar niet meer grappig.

De kanteling

Zijn er dan geen elites, autoriteiten en machtigen meer om te bespotten? De macht is nog steeds goed aanwijsbaar: zij zit bij de gevestigde orde die de zendtijd verdeelt, subsidies toekent en de programmering bepaalt. Wat verdween is niet het “boven”, maar de verhouding ertoe.

Het hof hield er een nar op na. Niet uit verdraagzaamheid, maar omdat het een teken van macht en kracht was om je te laten bespotten. De nar had geen formele macht maar wel een positie, en het mandaat daarvoor kwam van boven, juist van degene die hij ridiculiseerde. Een dergelijke verhouding veronderstelt een ordening met een top en een bodem, en twee ongelijke partijen die elkaar daarin kennen.

Die ordening is gekanteld. De zuilen waarin het maatschappelijk leven ooit was ondergebracht, stonden rechtop; wat ervoor in de plaats kwam, organiseerde zich horizontaal in identiteitsgroepen. Zulke verbanden kennen geen boven en beneden meer, maar een naast elkaar. Men hoort er niet meer bij door afkomst of plaats, maar door opvatting. Kritiek wordt dan niet ervaren als inhoudelijke tegenspraak, maar als aantasting van identiteit. Voor relativering is binnen een identiteitsgroep weinig plaats. Wie geen lid is, is dan ook geen nar. De spotter wordt niet verboden en zijn opvatting niet weerlegd; hij wordt gecanceld.

Neem Hans Teeuwen. Twintig jaar geleden was hij de nar bij uitstek: absurdistisch, onberekenbaar, plat waar het zo uitkwam, en juist daarom omarmd door de culturele elite. Zijn register is sindsdien niet wezenlijk veranderd. Wat veranderde is de categorie waarin hij wordt geplaatst. Voor een deel van de gevestigde orde is hij geen hofnar die te ver gaat, maar een rechtsextremist die het niet begrepen heeft. Het oordeel is verschoven van de grap naar de man, en daarmee zijn we klaar.

Zo raakte de parodie haar onderwerp op twee manieren tegelijk kwijt. De een laat zich niet meer parodiëren omdat hij nergens meer bij afsteekt. De ander laat zich niet parodiëren omdat hij het niet toestaat, en dat kan, want hij gaat over de zendtijd of over de ingezondenbrievenrubriek. En buiten ons is er evenmin nog iets wat ons relativeert, want het “ik” is de absolute instantie geworden.

Clapter

Verlamd door de angst om te kwetsen, én doordat de werkelijkheid zich niet meer laat parodiëren, is de culturele elite gevlucht in wat in de Amerikaanse schrijverskamers “clapter” is gaan heten: de samentrekking van applause (clapping hands) en laughter. Het is een vakterm die circuleert sinds tekstschrijvers Tina Fey en Seth Meyers hem gebruikten om te beschrijven wat hun publiek deed in Saturday Night Live.

Clapter is de psychologische vluchtroute voor een publiek dat relativering niet meer kan verdragen. Wanneer een hedendaagse komiek een uitspraak doet, doorloopt het publiek deze morele checklist:

    1. Is deze bewering in lijn met de normen van mijn ingroup?
    2. Bevestigt dit dat wij aan de “goede” kant van de geschiedenis staan zonder dat het iemand binnen de groep kwetst?
    3. Zo ja: we klappen en grinniken instemmend.

Het verschil met lachen is niet gradueel maar wezenlijk. Klappen kun je besluiten. Lachen overkomt je. De instemming gaat aan het applaus vooraf en daarom voelt het veilig. De lach is daarmee getransformeerd van een ontregelende reflex tot een visitekaartje van de eigen morele voortreffelijkheid.

Ook het voyeurisme veranderde van karakter. Wie instemmend applaudisseert, bevestigt niet alleen de spreker maar ook zichzelf. We kijken niet meer neer op wie zich voor de camera belachelijk maakt, maar op wie het nog niet begrepen heeft. Het object veranderde; het genoegen bleef hetzelfde. Moreel vertoon is het neerkijken van de diplomaklasse.

Het gaat daarbij niet om comedians die minder grappig zijn geworden, maar om een publiek dat eerst wil weten of er gelachen mag worden. Dat publiek dat wél onbevangen lacht bestaat nog steeds. Het zit alleen niet meer in de zalen die met subsidies worden gefinancierd.

Het lachen kan op twee manieren verstommen.

De eerste is eeuwenoud (maar soms nog opmerkelijk actueel, zoals ze bij Charlie Hebdo weten). Een achterban die niet om haar eigen leider kan lachen, verstoot wie dat wel doet. Zolang er stammen zijn, bestaat deze vorm.

De tweede is nieuw. De culturele bovenlaag hergroepeerde zich in deze horizontale verbanden, waarin gedeelde opvattingen de identiteit van de groep bepalen. Wie zijn identiteit aan die opvattingen ontleent, kan ze moeilijk relativeren. Deze tweede vorm van het verlies van humor treffen we aan bij de mensen die over de programmering gaan.

Moralisme en exhibitionisme

Nu wordt zichtbaar wat er met het exhibitionisme in reality-tv is gebeurd. Het is niet verdwenen. Het is verhuisd. Waar het ongeremde ego zich rond de eeuwwisseling nog blootgaf in de Big Brother-douche, geeft het zich vandaag bloot in zijn morele oordeel. Dezelfde drift om gezien te worden, maar nu in een respectabelere etalage. Van het lichaam naar het geweten.

Dat die verhuizing zo dwingend is, heeft een oorzaak die verder reikt dan de televisie. De Duitse schrijver Malte Nelles vatte haar zo samen: God is niet dood, God is verhuisd, naar het ik. Wat de mens vroeger toevertrouwde aan iets buiten zichzelf, oriëntatie, zingeving en uiteindelijk het oordeel, heeft hij naar binnen gehaald. Wie zichzelf heeft opgezadeld met het finale oordeel over alles, maar geen biechtstoel meer heeft, heeft een probleem. Er is geen absolutie meer van boven, en dus moet de bevestiging van opzij komen. Het oordeel moet worden getoond, publiekelijk en het liefst permanent, want dat is de enige plek waar nog kan blijken dat het deugt. Moreel vertoon is de eredienst van een religie waarvan de god is verhuisd naar het ik.

Over ballotage

Tot dusver stond vooral het publiek centraal. Schrijnender is wat er gebeurt bij de instituties: de overheden, de omroepen, de subsidiecircuits en de redacties. Een publiek dat niet meer kan lachen is een verschijnsel. Een instituut dat niet meer durft te programmeren is een keuze, en daarmee een leiderschapskenmerk.

Drie mechanismen houden die verlamming in stand.

Het eerste is de verwarring van intentie met kwaliteit. Bestuurders en makers hebben zichzelf aangepraat dat een werk goed is zodra de maatschappelijke bedoeling deugt. Een sketch hoeft niet meer te verrassen; zolang niemand zich gekwetst voelt en de juiste normatieve piketpaaltjes zijn geslagen, keurt het instituut hem goed. Dat is geen artistieke maatstaf, maar het vluchtgedrag van bangeriken.

Het tweede is de blinde vlek voor de eigen positie. Satire hoort van onderop naar boven te spotten, en zodra de gevestigde orde satire gaat maken om haar eigen waarden te doceren, verandert die onvermijdelijk in belerend pestgedrag van de bovenlaag. Het aardige, of het treurige, is dat dit geen hypocrisie is maar een waarnemingsfout. De cultuurorde die de macht heeft, voelt zich nog altijd de protesteerder onderaan de ladder, en trapt te goeder trouw naar beneden in de overtuiging omhoog te trappen.

Het derde is het verdwijnen van de redactie-receptuur: die natuurlijke correctie waarin iemand tegen een maker durft te zeggen dat dit geen sketch is maar een preek. Die zin hoor je niet meer. Hij wordt niet uitgesproken omdat degene die hem uitspreekt precies weet wat het kost om buiten de groep te vallen, in een wereld waarin erbij horen voortdurend opnieuw moet worden bewezen. Het is het patroon dat we kennen uit de reconstructies van ontspoorde redactieculturen: iedereen wist het, niemand zei wat.

Intussen wordt er meer gelachen dan ooit. De specials zijn eindeloos, de podcasts groeien harder dan de omroepen, de zalen zijn uitverkocht. En het gebeurt allemaal daar waar er geen redactievergadering meer tussen zit. De humor is niet verdwenen; zij is geëmigreerd, weg uit de instellingen die haar ooit huisvestten, naar plaatsen waar niemand hoeft te tekenen voor deugdzaamheid. Dat weerlegt de diagnose niet; het bevestigt haar.

En het verklaart waarom een stand-upcomedian als Ricky Gervais het buiten de gevestigde orde uitstekend redt.

Zelfs Louis C.K., die nadat bekend werd dat hij in het bijzijn van vrouwelijke collega’s masturbeerde, wat hij vervolgens zelf erkende, door zenders en distributeurs werd gecanceld, verkoopt zijn specials sindsdien succesvol via zijn eigen site. En dat laat zien dat het publiek zelf bepaalt om wie gelachen mag worden.

Dus er blijft gelachen worden, want lachen is iets menselijks. Daar krijgt geen culturele orde vat op. Moreel hoogstaander wordt het daar overigens niet van. Benepener wel.

Posted on Categories Society