Wij zijn tegen geweld
Over moraal, bewustzijn en weerloosheid
De Jungiaanse cultuurpsycholoog Wolfgang Giegerich stelde in 1991, in samenhang met de Golfoorlog, de these op dat het Westen een problematische, misschien wel gestoorde verhouding tot geweld heeft ontwikkeld. Daarmee bedoelde hij uitdrukkelijk geen pleidooi voor geweld en ook geen rechtvaardiging van agressie, maar een specifieke culturele houding: een vorm van distantie die geweld weliswaar moreel veroordeelt, maar het tegelijkertijd uit het eigen werkelijkheidsbegrip wegdrukt.
Giegerich illustreerde deze houding met een anekdote. Een kerkganger vertelde zijn vrouw, die niet aan de mis had deelgenomen, dat de predikant over de zonde had gepreekt. Op haar vraag wat hij daarover had gezegd, antwoordde hij: ‘Hij was ertegen.’
De pointe ligt natuurlijk niet in het morele standpunt, maar in de inhoudsloosheid ervan.
Deze observatie wint vandaag opnieuw aan actualiteit. Leuzen als ‘Nooit meer oorlog’, ‘Peace Now’ of ‘Niet in mijn naam’ bepalen publieke debatten en demonstraties rond de Gaza-oorlog in Nederland. Ze signaleren morele afwijzing en markeren een duidelijke distantie tot het fenomeen geweld. Maar precies hier begint het probleem: de afwijzing blijft abstract. Ze richten zich niet tot concrete besluitvormers, maar drukken een morele distantie uit: zo zou de wereld niet moeten zijn – en ik wil daar geen deel van uitmaken. Juist in hun algemeenheid winnen zij sociale acceptatie. Ze functioneren minder als politieke eis en meer als uitdrukking van een persoonlijke houding.
Deze casus laat in geconcentreerde vorm zien wat zich ook elders laat waarnemen: morele afwijzing van geweld is vaak niet primair op uiterlijke effectiviteit gericht, maar vervult een innerlijke functie. De leus richt zich ogenschijnlijk tot de wereld, in werkelijkheid tot het eigen geweten. Zij markeert distantie zonder verantwoordelijkheid te nemen en vervangt confrontatie door positionering.
Protest, preek en morele zelfbevestiging – Wanneer protest naar binnen werkt
Preek en demonstratie delen een paradoxale structuur. Uiterlijk richten zij zich tot de wereld: tot politieke actoren, militaire besluitvormers, ‘de verantwoordelijken’. Hun aanspraak is interventionistisch. Maar hun feitelijke werking ligt vaak elders.
Wie op een demonstratie roept ‘Stop de oorlog’ of ‘Peace Now’, ervaart dit als een daad van engagement. Men verheft de stem tegen onrecht en positioneert zich zichtbaar aan de goede kant. Psychologisch gebeurt er echter iets anders. De woorden richten zich minder tot hen die geweld uitoefenen of erover beslissen, dan tot het eigen morele zelfbeeld.
Het protest vervult daarmee een innerlijke functie. Het stabiliseert het eigen geweten. Het bevestigt de verbondenheid met een morele gemeenschap. Het wekt het geruststellende gevoel niet betrokken te zijn – niet schuldig, niet verstrikt, niet verantwoordelijk.
Deze dynamiek is helemaal niet nieuw. Zij herinnert aan de religieuze preek, die – zoals we weten – vergeefs probeert de zonde uit de wereld te bannen, maar des te effectiever de gemeenschap in haar morele orde bevestigt. De gelovige hoort dat de zonde verwerpelijk is en verlaat opgelucht de kerk, in de wetenschap aan de juiste kant te staan.
Morele positionering in plaats van politieke werking
In die zin is een groot deel van de hedendaagse protestcultuur minder verzet dan ritueel. De publieke afwijzing van geweld vervangt niet zelden de confrontatie met de realiteit ervan. Zij markeert houding zonder tot handelen te verplichten. Zij schept distantie waar eigenlijk nabijheid tot de problematiek noodzakelijk zou zijn.
Dat maakt deze vorm van protest niet per se verwerpelijk. Problematisch wordt zij wanneer zij zichzelf overschat – wanneer morele positionering wordt verward met politieke effectiviteit. Dan ontstaat een illusie van invloed die de reële machtsverhoudingen buiten beschouwing laat. Het protest wordt tot zelfbevestiging van de eigen zuiverheid en onttrekt zich daarmee aan de vraag naar zijn feitelijke werking.
Het narcisme van de activist
Hier raakt het protest een delicate zone. De demonstratieve afwijzing van geweld dient niet zelden een narcistisch doel: de behoefte zichzelf als moreel hoogwaardig te ervaren. Het ik reinigt zich symbolisch door zich publiekelijk van het kwade te distantiëren.
Hoe radicaler het kwaad wordt voorgesteld, des te zuiverder verschijnt het eigen zelfbeeld. Geweld wordt geëxternaliseerd, moreel uitgesloten en uit de eigen verbeeldingsruimte verbannen. Maar wat wordt uitgesloten, hoeft niet meer begrepen te worden.
Juist daarin schuilt het gevaar. Een cultuur die geweld uitsluitend moreel veroordeelt, zonder de psychologische, sociale en politieke realiteit ervan te erkennen, verzwakt haar eigen oordeelskracht. Zij veroordeelt waar zij zou moeten begrijpen – en begrijpt niet wat zij wil bestrijden.
Geweld als blinde vlek – Van de triomf van de geschiedenis naar de erosie van de werkelijkheid
Toen Wolfgang Giegerich zijn diagnose formuleerde, bevond het Westen zich in een moment van uitzonderlijke zelfverzekerdheid. De Koude Oorlog was voorbij, de Berlijnse Muur gevallen. Politiek, economisch en cultureel leek een orde te hebben gezegevierd die geen serieuze alternatieven meer kende. Politicoloog Francis Fukuyama sprak begin jaren negentig over het ‘einde van de geschiedenis’: de liberale democratie zou zich als definitieve staatsvorm hebben bewezen.
Giegerich’s observatie over onze gestoorde verhouding tot geweld werd slechts gelezen door een Jungiaanse incrowd. Als wij het gelezen zouden hebben? Een problematische verhouding tot geweld? Och, een cultuur die zich moreel superieur waande, kon zich zulke eigenaardigheden permitteren. Geweld gold als een overwonnen reliek uit het verleden – iets dat men hoogstens historisch herinnert, maar niet existentieel ernstig neemt.
In deze tijd valt ook de veelgeciteerde uitspraak:
‘Weak people revenge. Strong people forgive. Intelligent people ignore.’
Geweld verdwijnt volgens deze logica niet door confrontatie, maar door morele superioriteit en rationele onverschilligheid. Dat deze uitspraak aan Albert Einstein wordt toegeschreven, overigens ten onrechte, verleent haar een aura van onaantastbare rede. Zij verwoordt echter precies de houding die Giegerich beschreef: geweld wordt niet geïntegreerd, maar genegeerd.
Meer dan drie decennia later is deze illusie verdwenen. Geweld is niet verdwenen. Het is zichtbaarder, veelzijdiger en maatschappelijk present geworden.
Naast directe en fysieke mannelijke geweldsvormen zagen we in de publieke ruimte de opkomst van relationeel en indirect vrouwelijk geweld, zoals cancelen, censuur en manipulatie. Terroristisch geweld tekent de wereld sinds 11 september. De toon van politieke debatten is ruwer geworden, digitale ruimtes zijn doordrenkt van agressie.
Ook staats- en institutioneel geweld heeft nieuwe gedaanten aangenomen. Niet alleen als openlijk machtsmisbruik, bijvoorbeeld ten opzichte van de vrijheid van meningsuiting, maar ook als systemisch falen, als administratieve hardheid en als grenzeloze bureaucratie. Geweld verschijnt niet langer uitsluitend als uitzondering, maar als bijproduct van functionerende systemen.
Deze ontwikkeling dwingt tot een ontnuchterende conclusie: geweld is geen anomalie, geen historisch bedrijfsongeval, maar een constitutieve mogelijkheid van menselijk handelen. Het verdwijnt niet wanneer men het moreel uitsluit. Integendeel: wat uit het bewustzijn wordt verdrongen, werkt ongecontroleerd verder.
En toch heeft deze realiteit nauwelijks tot een culturele correctie geleid. Integendeel, we volharden in onze ontkenning. Niet alleen openlijke agressie wordt afgewezen; zelfs de kleinste vorm van confrontatie geldt als onverdraaglijk. Politiegeweld dat wordt ingezet ter bescherming van de openbare orde staat bij voorbaat onder verdenking. Geweld blijven we beschouwen als iets principieel vermijdbaar – als louter het gevolg van verkeerde beslissingen, niet als uitdrukking van tragische conflicten.
De politieke taal weerspiegelt deze verdringing. Machteloze formules als ‘onacceptabel’ of ‘niet toelaatbaar’ vervangen de confrontatie. Symbolische gebaren nemen de plaats in van werkelijke conflicthantering. Dader en slachtoffer vervagen, verantwoordelijkheden lossen op. Geweld blijft reëel, terwijl het discours het ontwerkelijkt.
Fukuyama vergiste zich. De geschiedenis eindigde niet. Zij keerde terug – conflictueus, tegenstrijdig, onoverzichtelijk. De liberale orde vertoont erosieverschijnselen. Polarisatie neemt toe, vertrouwen verdwijnt. Samenlevingen die zich lange tijd als stabiel en belastbaar beschouwden, verliezen aan weerstand.
In deze context wordt duidelijk wat eerder slechts als culturele eigenaardigheid verscheen: de morele uitbanning van geweld schept weerloosheid en hulpeloosheid. Een samenleving die zich niet bewust is van haar eigen kwetsbaarheid, miskent haar positie in een steeds conflictueuzere wereld.
‘Alles van waarde is weerloos.’ (Lucebert)
Deze zin beschrijft geen zwakte, maar een voorwaarde. Openheid, vrijheid en menselijkheid veronderstellen kwetsbaarheid. Maar waar kwetsbaarheid niet meer bewust wordt gedragen, slaat zij om in weerloosheid. En weerloosheid is geen ideaal, maar een gevaarlijke illusie.
Kwetsbaarheid, weerstand en ziekte
Het is kenmerkend voor de rationele geest van onze tijd dat het publieke discours zich met grote intensiteit op symptomen richt. We discussiëren over de gevaarlijkheid van een virus, de verspreiding van een ziekte en de werkzaamheid van een vaccin. Daarbij raakt het wezenlijke gemakkelijk uit beeld: een organisme zonder weerstand zal uiteindelijk omkomen, ongeacht welke ziekteverwekker het treft. De concrete ziekte is secundair. Beslissend is de toestand van het lichaam.
Een gezond organisme is niet vrij van ziekteverwekkers. Het leeft met hen. Het beschikt over een immuunsysteem dat onderscheid kan maken tussen bedreiging en belasting, dat reageert zonder in paniek te raken en spanningen integreert in plaats van ze volledig uit te sluiten.
Overgedragen op samenlevingen betekent dit: een functionerende cultuur is niet die welke conflicten, spanningen of geweld volledig weet te vermijden. Zij is veeleer die welke over weerstand beschikt – over innerlijke structuren, narratieve duidingen en institutionele vermogens om ermee om te gaan.
Onze huidige maatschappelijke debatten draaien echter vaak om de vraag naar de ‘juiste’ ziekteverwekker. Is het migratie, klimaatverandering, extremisme, discriminatie of desinformatie? Oorzaken worden benoemd, gewogen en tegen elkaar uitgespeeld. Maar deze analytische fixatie leidt af. Zij maskeert de eigenlijke zwakte: het verlies aan maatschappelijke weerstand.
Een samenleving die haar eigen kwetsbaarheid niet erkent, maar moreel ontkent, verzwakt haar immuunsysteem. Zij probeert zich te beschermen door vermijding, door taboevorming en door symbolische zuiverheid. Maar wat wordt uitgebannen, verdwijnt niet. Het werkt ondergronds verder – ongeïntegreerd, ongebonden, onbegrensd.
Zo ontstaat weerloosheid niet door de aanwezigheid van gevaren, maar door het verlies van innerlijke afweer. Niet het virus vernietigt het lichaam, maar het ontbreken van een immuunrespons. Niet het conflict vernietigt de samenleving, maar het onvermogen het als reëel onderdeel van het sociale leven te erkennen.
Zolang wij geweld niet als een werkelijk en concreet onderdeel van menselijk gedrag zien, blijven wij hulpeloos tegenover degenen die zonder aarzeling geweld toepassen, vooral wanneer zij hun strategie precies op onze zwakke plek richten. Wie werkelijk iets tegen geweld wil bereiken, kan het zich niet veroorloven er eenvoudigweg tegen te zijn. Wie geweld wil bestrijden, moet het eerst begrijpen en als een fundamentele, onuitroeibare kracht in de menselijke realiteit erkennen. Alleen wie geweld als existentieel fenomeen erkent, kan er effectief tegen optreden.
Kwetsbaarheid kan een eigenschap zijn van een zelfbewuste cultuur. Weerloosheid daarentegen is een gevaarlijke dwaling die in een steeds vijandiger wereld fatale gevolgen kan hebben.
In deze zin beschrijft Giegerich geen ethische ontsporing, maar een culturele verkorting: geweld wordt uit de werkelijkheid verdrongen en verschoven naar het domein van het principieel ‘onaanvaardbare’. Wat moreel wordt uitgesloten, hoeft niet meer begrepen te worden. Precies daarin ligt de verstoring.
Post Scriptum
Dit essay is ruim een jaar geleden ontstaan. Nog steeds brengt het – met zijn verwijzingen naar de Gaza-protesten – de tijdgeest in de omgang met het fenomeen geweld tot uitdrukking. Wij negeren geweld en denken dat het dan verdwijnt. Geweld wordt niet begrepen, maar buiten het bewustzijn gehouden.
Met de oorlog in Oekraïne is het fenomeen geweld echter, als een geest uit de fles, plotseling teruggekeerd. Krijgshaftige taal, dienstplicht en miljardeninvesteringen in militair materieel domineren het nieuws. Op het eerste gezicht lijkt dit een reactie op de eerdere verdringing, op de eerdere naïviteit.
Bij nadere beschouwing blijkt de moralistische bewustzijnsleegte echter opmerkelijk stabiel. Elk besef van de gruwelijkheid van oorlogsgeweld, van dood en vernietiging ontbreekt; er is geen aandacht voor de diplomatieke weg, want de vijand verschijnt even eendimensionaal fout als die in een PlayStation-spel. Er vinden geen scenarioanalyses plaats. De leuzen en de symptomen zijn veranderd, maar het bewustzijn van wat geweld in wezen is, ontbreekt nog steeds. Waar het eerder werd verdrongen, wordt het nu instrumenteel omarmd. In beide gevallen ontbreekt begrip van geweld als existentieel fenomeen.
De vormen wisselen. De bewustzijnsarmoede blijft.