De onschuldigen

Over schuld, verantwoordelijkheid en de morele koorts van onze tijd

Proloog

Het Westen lijkt te worden overspoeld door een golf van engagement. Onder uiteenlopende namen en rond uiteenlopende thema’s – klimaat, ras, gender, sociale rechtvaardigheid, migratie – manifesteert zich een morele bewogenheid die zich presenteert als noodzakelijk, urgent en onontkoombaar. Er staat veel op het spel, zo luidt de boodschap, en er is geen tijd te verliezen.

Er is een verzamelnaam voor dit engagement, al is niet helemaal duidelijk of dit een zelfbedachte geuzennaam is van de activisten of een laatdunkend predicaat van de critici. Woke, verwijzend naar wakker, bewust, alert op onrecht en machtsmisbruik. Woke-zijn betekent in deze betekenis niet onverschillig zijn, maar juist moreel waakzaam. Het veronderstelt een scherp oog voor wat structureel misgaat en een bereidheid om dat te benoemen, ook – of juist – wanneer dat ongemakkelijk is.

Tegelijkertijd is dit engagement niet vrijblijvend. Het spreekt in absolute termen, duldt weinig tegenspraak en gaat gepaard met een uitgesproken gevoel van morele superioriteit. Waar het zich op straat en op sociale media soms agressief toont, klinkt het in institutionele vorm als een pleidooi voor noodtoestanden, uitzonderingen en het opschorten van wat tot voor kort als verworvenheden gold: open debat, grondrechten, democratische procedures. Tegenstand wordt niet zelden psychologiserend geduid: wie twijfelt, lijdt aan een fobie of verkeert nog in onbewustheid.

In progressieve kringen vindt dit engagement veel weerklank. Misschien omdat het appelleert aan herinneringen aan eerdere emancipatoire bewegingen, aan een tijd waarin maatschappelijke betrokkenheid en morele ernst vanzelfsprekend leken. Na decennia van neoliberale nuchterheid en technocratisch beheer lijkt er opnieuw ruimte voor bevlogenheid, voor betekenis, voor een gezamenlijk ideaal. Alsof de geschiedenis weer richting krijgt, mits we bereid zijn door te pakken.

Critici zijn in het defensief en blijven doorgaans steken in stijlkwesties: te moralistisch, te deugdzaam, te correct. Maar wat is er mis met deugen? Met het streven naar rechtvaardigheid, gelijkwaardigheid en zorg voor de aarde? Bovendien komt kritiek niet zelden uit populistische hoek, wat haar bij voorbaat verdacht maakt. En toch wringt er iets. De neiging tot uitsluiting, het morele absolutisme, de bereidheid om te schrappen, te cancelen en te verketteren – ze roepen de vraag op of hier werkelijk sprake is van verlichting.

Hoe moeten we dit engagement begrijpen? Als de voorhoede van een nieuw bewustzijn dat de achterblijvers mee zal trekken, zoals eerdere emancipatiebewegingen dat deden? Of als een symptoom van iets anders – van een dieperliggende verwarring, een onrust die zich moreel vermomt? En als we het perspectief nog verder openen: wat als dit fenomeen minder zegt over de wereld die veranderd moet worden, en meer over het bewustzijn van waaruit die verandering wordt geëist?

Om die vraag te kunnen beantwoorden, moeten we niet in de eerste plaats naar standpunten kijken, maar naar de lucht die we inademen, het water waarin we zwemmen: de tijdgeest waarin dit engagement ontstaat en gedijt. Dat wat zo vanzelfsprekend is geworden dat het nauwelijks nog wordt waargenomen.

1. Over de ongeziene tijdgeest

Wie een verschijnsel wil begrijpen dat zo alomtegenwoordig is als dit hedendaagse engagement, kan niet volstaan met het analyseren van standpunten of intenties. Wat zich hier manifesteert, is geen losse opinie, maar een uitdrukking van de tijdgeest waarin wij leven. En juist die dimensie is moeilijk toegankelijk.

De tijdgeest is datgene wat wij ademen zonder het te merken. Zij vormt het vanzelfsprekende kader van ons denken, voelen en oordelen. Zoals een vis het water niet waarneemt waarin hij zwemt, of een vogel de lucht niet ziet die hem draagt, zo is ook de mens zijn eigen tijdgeest nauwelijks bewust. Wat vanzelf spreekt, valt immers niet op. Waarmee we geïdentificeerd zijn kunnen we niet zien.

Dat maakt iedere poging tot tijdgeestdiagnose kwetsbaar. Niet omdat die per definitie ongelijk zou hebben, maar omdat zij raakt aan datgene waarmee wij ons het meest identificeren. Wie de tijdgeest bevraagt, bevraagt impliciet ook het eigen morele kompas, de eigen vanzelfsprekendheden, het eigen gevoel van helderheid en vooruitgang. Dat roept weerstand op, vaak nog voordat de inhoud ter sprake is gekomen.

Toch is deze omweg onvermijdelijk. Zolang we verschijnselen uitsluitend beoordelen binnen het kader dat ze zelf voortbrengen, blijven we erin gevangen. Pas wanneer we bereid zijn dat kader zelf te onderzoeken, wordt zichtbaar wat anders onzichtbaar blijft. Niet om erboven te staan, maar om er enigszins afstand van te nemen.

Wat volgt, is zo’n poging. Geen moreel oordeel en geen historisch overzicht, maar een beschouwing over het bewustzijn dat deze tijd voortbrengt — en dat door zijn vanzelfsprekendheid moeilijker te herkennen is dan welke ideologie ook.

2. De bevrijding die alles veranderde

Toen in de jaren zestig de individuele bevrijding collectief doorbrak, kwam er een ongekende hoeveelheid energie vrij. Wat zich in de eeuwen daarvoor al via geniale eenlingen had aangekondigd in kunst, wetenschap en filosofie, kreeg nu maatschappelijk gestalte. De mens maakte zich los uit de vanzelfsprekendheden van hiërarchie, traditie en autoriteit. Kerk en vaderland verloren hun onaantastbaarheid en werden voorwerp van spot. Wij gingen ons eigen leven vormengeven, en niet meer dat van pa, ma of meneer pastoor, en we zouden de wereld verbeteren.

Deze bevrijding bracht een explosie van creativiteit, vitaliteit en ambitie teweeg. Het moderne leven kreeg een indrukwekkende uitdrukkingskracht in leefstijl, gastronomie, mode, kunst en wetenschap. De wereld leek maakbaar, niet alleen in technische zin, maar ook als ruimte voor persoonlijke ontplooiing. Vrijheid werd bevochten, en ook geleefd – zichtbaar, tastbaar, soms uitbundig.

Het was een historisch moment van emancipatie dat nauwelijks overschat kan worden. De individuele mens trad naar voren als drager van betekenis, en met hem de overtuiging dat een wereld van vrije individuen vanzelf zou leiden tot een rechtvaardiger en menselijker samenleving. Natuurlijk zou de moderniteit haar belofte inlossen.

3. De onbedoelde keerzijde

Maar was deze bevrijding duurzaam? En hoe staat het nu met die vrijheid, een van de pijlers van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens? Decennia later dringt zich een ongemakkelijke balans op. Ondanks ongekende welvaart en keuzevrijheid blijken grote groepen mensen vast te lopen. Meer dan een half miljoen huishoudens leeft in Nederland in armoede. Burn-out is uitgegroeid tot volksziekte nummer één. Het handboek van psychische stoornissen is in omvang verdubbeld, terwijl het aantal hulpverleners navenant is meegegroeid – en de wachtlijsten desondanks langer worden.

Ook op collectief niveau knarst het. De Sustainable Development Goals ademen ambitie, maar ook urgentie en wanhoop. Onze huizen zijn brandschoon door wasmachine, stofzuiger en duizend-dingen-doekjes, maar het milieu draagt sporen van uitputting. En terwijl het leven steeds beter georganiseerd raakt, lijkt het gevoel van vervulling eerder af- dan toe te nemen.

Wat voor de hand leek te liggen – dat individuele vrijheid en ontplooiing vanzelf zouden leiden tot geluk en vooruitgang – houdt bij nadere beschouwing geen stand. Toen alle vrijheid geleefd was, bleken we nog steeds niet gelukkig, en de wereld was allesbehalve af. De belofte van de moderniteit is niet eenvoudigweg mislukt, maar zij heeft iets over het hoofd gezien.

4. De kern van de moderniteit: ambivalentie

Dat iets is niet de vrijheid zelf, maar de psychologische structuur waarin die vrijheid werd beleefd. Het wezen van de moderniteit is niet de individuele ontplooiing, groei is immers natuurlijk als barrières worden opgeruimd. Het is de ambivalentie die daarmee gepaard gaat. Het moderne bewustzijn wordt gedomineerd door het ‘ik’, het ego, en dat ego is in zijn aard ambivalent.

Het ego is niet gelukkig omdat het vrij is – die vrijheid blijkt steeds vaker een last – maar omdat het bevestigd wordt. Het zoekt erkenning, waardering, validatie, en raakt ontregeld wanneer die uitblijft. Het identificeert zich met gedachten, meningen en uiterlijke vormen, en ontleent zijn gevoel van bestaansrecht aan vergelijking met anderen. In een cultuur waarin zichtbaarheid en feedback permanent zijn geworden, wordt deze afhankelijkheid alleen maar versterkt.

Zo ontstaat een innerlijke impasse: de mens is vrijer dan ooit, maar ervaart zichzelf tegelijk als kwetsbaar, onzeker en onvoldaan. De moderniteit heeft het individu bevrijd, maar het ook op zichzelf teruggeworpen. In die spanning tussen autonomie en afhankelijkheid, tussen zelfbeschikking en behoefte aan erkenning, ligt de psychologische kern van onze tijd.

Die ambivalentie vormt de voedingsbodem voor een dieper probleem, dat zich niet alleen individueel, maar ook collectief zal manifesteren.

5. Het ego als psychologisch centrum

In het begin van de twintigste eeuw beschreef Sigmund Freud de menselijke persoonlijkheid als een spanningsveld tussen drie krachten: het id, het ego en het superego. Het id vertegenwoordigt de instinctieve driften, het superego het geweten en de geïnternaliseerde morele normen. Het ego neemt een bemiddelende positie in: het probeert de verlangens van het id te verzoenen met de eisen van het superego en de beperkingen van de werkelijkheid.

Het ego is niet uniek voor de moderniteit, maar in de moderne tijd is het ego wel de dominante identiteit geworden. Het ‘ik ben’ en ‘ik wil’ zijn richtinggevend gaan functioneren. Het ego identificeert zich met gedachten, overtuigingen en uiterlijke kenmerken en ervaart zichzelf niet als intrinsiek waardevol, maar als voorwaardelijk: het is oké zolang het bevestigd wordt. Die bevestiging komt van buitenaf, via succes, erkenning en vergelijking met anderen.

Hoewel vrijwel alle spirituele tradities deze egodynamiek relativeren, is zij voor de westerse mens diep verankerd geraakt. Het ego is een mentale constructie die voortdurend in relatie tot de ander bestaat en zich nauwelijks kan losmaken van externe validatie. Daarmee wordt het kwetsbaar, rusteloos en fundamenteel onzeker.

Eckhart Tolle noemt deze ego-dimensie het “pijnlichaam”. Het pijnlichaam is dat aspect van het ego waar alle niet-verwerkte trauma’s sluimeren. Het pijnlichaam voedt zich met alles wat zich afspeelt in ons hoofd, onze oordelen en negatieve gedachten. Als we ons identificeren met deze gedachten vinden we onszelf stom, lelijk, mislukt. Omdat we die helse malende machine in ons hoofd steeds maar aandacht blijven geven wordt dit negatieve zelfbeeld voortdurend versterkt. Zo blijft het pijnlichaam in leven en kan het zelfs groeien.

De hedendaagse geestelijke problematiek laat zich moeilijk begrijpen zonder dit dominante ego, dit pijnlichaam te beschouwen.

6. Neurose als absoluut bewustzijn

Het is geen toeval dat in dezelfde periode waarin het ego zijn centrale positie veroverde, ook de neurose op de voorgrond trad. Stress, burn-out, depressie en agressie zijn geen randverschijnselen, maar structurele symptomen van de moderne psyche. Neurosen, in welke vorm dan ook, kunnen worden opgevat als de geestelijke pandemie van de moderniteit; hun chronologie loopt opvallend parallel aan die van het moderne bewustzijn.

De Jungiaanse psycholoog en filosoof Wolfgang Giegerich biedt hier een verhelderend perspectief. Volgens hem herkennen we de neurose aan haar absolute karakter. De typische vragen van het moderne ego – wie moet ik zijn? hoe moet de wereld zijn? – worden niet langer gesteld binnen een relativerend kader, maar benaderd alsof er maar één juist antwoord mogelijk is.

Hier voltrekt zich een opmerkelijke regressie. De moderniteit leek juist het tijdperk van vrijheid en relativering te zijn, maar in de neurose keert iets ouds terug: het absolute van het groepsbewustzijn. Waar vroeger alles werd beoordeeld in termen van hemel of hel, goed of kwaad, verschijnt nu opnieuw een binaire werkelijkheid. Zonder dat men het merkt, sluipt via de achterdeur datgene binnen waarvan men dacht afscheid te hebben genomen.

De neurotische psyche verdraagt geen ambiguïteit. Denk aan het dwangmatige van de anorexia- en bulimiapatiënt. Zij verzet zich met dwingende overtuiging tegen nuance, tegen ervaring, tegen rationaliteit. In plaats van openheid ontstaat verkramping; in plaats van vrijheid, dwang.

7. Absolutisme in een tijd van vrijheid

Dit absolutisme is overal om ons heen zichtbaar. Uitspraken als “absoluut onacceptabel”, “absoluut noodzakelijk” en “alternativlos” domineren het publieke debat. Wat ooit uitnodigde tot gesprek, wordt nu gepresenteerd als moreel gegeven, zonodig gebaseerd op wetenschappelijke consensus. Er is geen ruimte meer voor maatvoering, voor twijfel, voor het ongemakkelijke midden.

De paradox is evident: in een tijd die zichzelf begrijpt als vrij en individueel, verdwijnt juist de relativering. De ontwaakte activist relativeert niets. Compromis, redelijkheid en rationaliteit gelden al snel als laf of achterhaald. Met het absolute laat de neurose zien dat zij immuun is geworden voor tegenspraak en verheldering.

Die irrationaliteit manifesteert zich in opmerkelijke omkeringen. Om micro-agressies te voorkomen wordt men agressor. In de strijd tegen discriminatie discrimineert men anderen dan voorheen. Lichamen die als sociale constructies worden geduid, vereisen fysieke ingrepen om te worden veranderd. Onze 19e-eeuwse natuur is heilig, maar de 19e-eeuwse rituelen zijn verdoemd.

De totempaal van deze neurotische psyche is de gedachte van maakbaarheid. Zij vormt de meest fundamentele synthese van de moderniteit. Maar het leven laat zich slechts beperkt maken. Wanneer die illusie barst, resteert een werkelijkheid die ondraaglijk lijkt. In die zin kan de neurose worden opgevat als de weigering om de werkelijke wereld binnen te treden: een wereld van begrenzing, tragiek, goed en kwaad, en van lijden als inherent onderdeel van de menselijke existentie.

Wat zich hier individueel voltrekt, kan zich ook collectief organiseren. Waar moet het broeiende ongenoegen, de latente onrust en agressie van het ego naartoe, wanneer zij voor steeds meer mensen onhoudbaar worden?

8. De verdwijning van God en de eenzaamheid van schuld

Schuld werd ons vroeger met de paplepel ingegoten. “Seht, Wohin? Auf uns’re Schuld”, leerden we van Bach. Maar indertijd kon ik mijn schuld bij God brengen. Hij zou mij vergeven. Of ik sleepte de erfzonde desnoods tot de dood met me mee, om tenminste in het rijk Gods bevrijd te worden. Er was ook een alternatief, ik kon mijn schuldgevoelens op een andere groep projecteren en als die collectieve geprojecteerde schuld maar groot genoeg was ontstond een catharsis die we “oorlog” noemden. Schuld was zwaar, soms ondraaglijk, maar zij maakte deel uit van een groter kosmisch verband waarin verzoening mogelijk was.

In de moderne tijd is deze transcendente ordening verdwenen. God is doodverklaard, agressie is moreel verdacht geworden en openlijk conflict geldt als barbaars, zelfs op microniveau. Het moderne ‘ik’ staat er alleen voor. Schuld kan niet meer worden gedragen, maar ook niet meer eenvoudig worden afgevoerd. Zij blijft hangen.

De eenzame schuldige is een van de meest ongeziene fenomenen van het moderne bewustzijn, en een van de meest onderschatte spanningen in de maatschappij.

9. De illusie van maakbaarheid en de last van eigen schuld

De moderne vrijheid heeft een schaduwzijde: zij maakt de mens tot eindverantwoordelijke voor zijn leven. Niet alleen voor zijn daden, maar ook voor zijn emoties, relaties, loopbaan en geluk. Wat mislukt, is in laatste instantie eigen schuld. Wat niet lukt, is onvoldoende geprobeerd. Waar het leven wringt, faalt het zelf.

Deze radicale individualisering van verantwoordelijkheid leidt tot een onhoudbare situatie. Schuld wordt allesomvattend, maar kan niet meer worden gedragen. Zij schuurt, knaagt en ondermijnt het zelfgevoel. Tegelijk is zij niet meer overdraagbaar, niet meer te vergeven, niet meer in te bedden in een groter geheel.

De gedachte van maakbaarheid biedt hier een schijnoplossing. Als het leven maakbaar is, dan kan ook schuld worden opgelost. Dan hoeft zij niet te worden gedragen, maar kan zij worden opgeheven door verandering. Door correctie, herinrichting, zuivering. Schuld wordt een technisch probleem.

Maar maakbaarheid is een illusie. Het leven laat zich slechts ten dele sturen, en precies dat besef maakt de moderne schuld ondraaglijk. Wanneer de illusie barst, resteert een ervaring van falen zonder ontsnappingsroute.

Waar moet deze schuld dan heen?

10. De geboorte van de schuldneurose

Wanneer schuld niet meer kan worden gedragen en niet meer kan worden geprojecteerd op een transcendente ander, resteert slechts één richting: naar binnen. De moderne mens introjecteert zijn schuld. Hij projecteert haar op een dimensie van zichzelf waarvan hij meent dat zij maakbaar is.

Mijn geschiedenis, cultuur, afkomst, geslacht, huidskleur, lichaam, nationale identiteit, zelfs de natuurlijke omgeving worden dragers van schuld. En wat niet deugt, moet vanzelfsprekend worden veranderd of afgeschaft. Niet omdat het objectief verkeerd is, maar omdat het als drager fungeert van een ondraaglijk innerlijk tekort.

In deze beweging transformeert schuld in dynamiek. Het gevoel van falen wordt omgezet in activisme. De verlammende last van schuld maakt plaats voor morele energie. Door te strijden tegen het eigene, door het zelf te problematiseren en te hervormen, wordt onschuld herwonnen. Men wordt weer goed. Rein. Moreel aanvaardbaar.

Zo ontstaat de schuldneurose als collectief verschijnsel. Zij lijkt bevrijdend, maar is in wezen regressief. Zij biedt geen verzoening, maar uitstel. Geen rust, maar beweging. Schuld wordt niet gedragen, maar voortdurend geactiveerd.

Wat hier op individueel niveau gebeurt, kan zich collectief organiseren. Schuld wordt gedeeld, versterkt en genormaliseerd. Zij krijgt een morele taal, een symboliek en een vijandbeeld. En precies daar verschijnt het engagement dat zich presenteert als onontkoombaar en vanzelfsprekend.

11. Het evidente als moreel wapen

Een opvallend kenmerk van het hedendaagse engagement is de nadruk op het evidente. De inzet lijkt onbetwistbaar: sociale rechtvaardigheid, gelijkwaardigheid, antiracisme, duurzaamheid. Wie zou daar tegen kunnen zijn? Het engagement presenteert zich niet als standpunt, maar als vanzelfsprekendheid.

Juist daarin schuilt zijn kracht. Door het evidente en redelijke te poneren wordt het ongemerkt getransformeerd tot het absolute. Wat niemand betwist, hoeft niet meer besproken te worden. Het gesprek verschuift van wat is waar of passend? naar wie staat aan de juiste kant? Zo ontstaat een morele positionering die zichzelf buiten twijfel plaatst.

Het bepleiten van het vanzelfsprekende maakt het mogelijk om moreel onderscheid te creëren zonder inhoudelijk debat. Wie instemt, deugt. Wie aarzelt, nuanceert of vragen stelt, wordt verdacht. Het engagement richt zich niet primair op het probleem, maar op de ander die het probleem nog niet op de juiste wijze erkent.

In deze beweging wordt schuld opnieuw verdeeld. Niet langer op basis van daden, maar op basis van bewustzijn. Wie het juiste inzicht heeft, is moreel gevorderd; wie dat niet heeft, loopt achter of verzet zich. Zo krijgt het engagement een hiërarchische structuur die haaks staat op zijn emancipatoire zelfbeeld.

12. Cancelcultuur en morele regressie

Wanneer het morele onderscheid eenmaal is aangebracht, verdwijnt de noodzaak tot dialoog. De tijd van praten met de tegenstander is voorbij; realisme geldt als ouderwets, twijfel als morele zwakte. Wat rest is correctie, uitsluiting en zuivering.

In deze context ontstaat de cancelcultuur. Sprekers, academici, kunstenaars, boeken, rituelen en historische figuren worden verwijderd uit het publieke domein, niet omdat zij geen betekenis meer hebben, maar omdat zij niet langer voldoen aan de heersende morele maatstaf. De maatstaf zelf blijft buiten schot.

Deze onverbiddelijkheid verraadt een regressie. Wat terugkeert, is niet een nieuw bewustzijn, maar het absolute van het groepsbewustzijn. Wie afwijkt, hoort er niet meer bij. De morele gemeenschap sluit zich, precies zoals zij dat deed in premoderne tijden. Het verschil is dat deze uitsluiting zich nu presenteert als vooruitgang.

De richting van de morele projectie is veelzeggend. Zij richt zich op het eigene: de eigen geschiedenis, cultuur, taal, symbolen en instituties. Door deze tot schuldige te verklaren, kan de moderne mens zijn innerlijke ongenoegen externaliseren zonder het werkelijk te hoeven dragen. Draai de projectie om, en de bron wordt zichtbaar: het uitgeputte, ambivalente ego dat zichzelf niet meer verdraagt.

13. Woke als collectieve schuldneurose

In dit licht verschijnt het fenomeen dat onder de verzamelnaam woke bekendstaat niet als morele voorhoede, maar als symptoom. Woke is geen verlichting, maar een collectieve schuldneurose: een neurotisch schuldgevoel dat steeds bredere lagen van de samenleving doordringt.

Het is de gebundelde zinledigheid, frustratie, angst en schaamte van een moderniteit die zichzelf heeft overschat. Een moderniteit die de mens absolute vrijheid beloofde, maar hem achterliet met een onhoudbare verantwoordelijkheid. De schuldneurose biedt richting aan deze onmacht. Zij kanaliseert innerlijk falen tot uiterlijke strijd.

Dat verlangen is diep menselijk. De behoefte aan zingeving, aan morele betekenis, aan het gevoel aan de juiste kant van de geschiedenis te staan, is begrijpelijk. Maar door het neurotische karakter van deze beweging kan zij niet scheppen, slechts vernietigen. Zij ontleent haar energie aan afwijzing, niet aan verantwoordelijkheid.

Door haar collectieve karakter wint deze zelfdestructieve dynamiek aan momentum. Onder het motto van engagement ontstaat een storm van ontwortelde ego’s die zich wanen op de top van bewustzijn en verlichting. De niet-ontwaakten worden met nauwverholen minachting bezien. Die minachting is geen teken van morele kracht, maar een directe resonantie van de onbewuste walging voor het eigen tekort.

Woke is daarmee geen nieuwe emancipatoire impuls, maar een moreel geladen poging om aan de last van schuld te ontsnappen. Zij verabsoluteert het eigen gelijk, sluit de ander uit en keert terug naar het groepsbewustzijn dat de moderniteit juist had willen overstijgen.

14. Het kinderbewustzijn van onschuld

Schuld is in het dagelijks taalgebruik een morele categorie, maar in psychologisch, systemisch opzicht verwijst zij naar iets anders. In het groepsbewustzijn, en bij een kind, is schuld in de eerste plaats het gevoel er niet meer bij te horen. Het schuldgevoel is dan een signaal van verbroken verbondenheid en dient om de verloren onschuld te herstellen. Wie schuld voelt, verlangt naar rehabilitatie, naar weer opgenomen worden in het geheel.

In die zin hebben schuld en onschuld nauwelijks iets te maken met goed en kwaad. De geschiedenis laat zien dat zelfs de grootste gruweldaden met een zuiver geweten kunnen worden begaan, zolang zij maar binnen het morele kader van de groep vallen. Omgekeerd kan iemand zich diep schuldig voelen over een handeling die moreel verdedigbaar is, wanneer zij afwijkt van wat de omgeving verwacht. Heel veel familieopstellingen tonen juist deze dynamiek.

Schuldgevoelens verraden daarmee een kinderlijk bewustzijn dat vasthoudt aan de behoefte aan onschuld. Zij verlangen niet naar verantwoordelijkheid, maar naar vrijspraak. Het verklaart ook de aantrekkingskracht van morele zuiverheid en de fascinatie voor kinderlijke figuren als Greta Thunberg in het publieke debat: wie onschuldig is, hoeft niets te dragen.

15. Verantwoordelijkheid als volwassen antwoord

Verantwoordelijkheid is iets wezenlijk anders dan schuld. Zij behoort tot het volwassen bewustzijn en is geen moreel oordeel, maar een antwoord. Een antwoord op wat in het leven uit evenwicht is geraakt. Niet ideologisch, niet idealistisch, maar passend bij de concrete situatie.

Wie verantwoordelijkheid neemt, hoeft niet onschuldig te zijn. Integendeel, verantwoordelijkheid veronderstelt het verlies van onschuld. Zij erkent dat het leven niet zuiver is, dat falen, tekort en tragiek onlosmakelijk deel uitmaken van de menselijke existentie. Schuldgevoelens verdwijnen niet doordat men ze afwijst, maar doordat men ophoudt onschuldig te willen zijn.

Verantwoordelijkheid herstelt evenwicht. Zij brengt rust waar schuld onrust zaait. Zij leidt niet tot morele opwinding, maar tot vervulling. Daarmee onderscheidt zij zich radicaal van schuldprojectie, die altijd aanmatiging vereist en slechts tijdelijke verlichting biedt.

Dit verschil wordt zichtbaar in de manier waarop geëngageerden spreken. Wanneer een publieke figuur stelt dat “racisme muurvast zit in witte mensen”, creëert hij schuldigen. Wanneer hij zou zeggen dat racisme muurvast zit in hemzelf, neemt hij verantwoordelijkheid. Hetzelfde geldt voor de mannelijke socioloog die in het landelijk dagblad zegt dat “dat mannelijkheid een groot probleem is”. Als hij zou spreken over “mijn mannelijkheid”, verplaatst het probleem van de ander naar zichzelf.

16. Wat verantwoordelijkheid níét doet

Verantwoordelijkheid hoeft niet te overtuigen. Zij heeft geen opvatting over de ander, voelt zich niet moreel superieur en kent geen behoefte aan bekering. Zij spreekt niet in absolute termen en zoekt geen vijand. Waar schuldprojectie polariseert, depolariseert verantwoordelijkheid.

Schuld daarentegen vergt steeds meer aanmatiging. Zij werkt als een opiaat: de eerste morele verontwaardiging geeft verlichting, maar vraagt al snel om herhaling en versterking. De euforie is oppervlakkig en kortstondig, de onrust keert terug. Rust en tevredenheid blijven uit.

Verantwoordelijkheid daarentegen is stil. Zij sleept het verleden niet voortdurend mee en handelt niet vanuit historische schuld, maar antwoordt in het hier en nu. Niet onze voorouders zijn wat ons dwarszit, althans niet meer of minder dan wijzelf, maar ons onvermogen om om te gaan met wat er is gebeurd en wat dat vandaag in ons oproept.

Waar schuld het zelf afwijst, herstelt verantwoordelijkheid de relatie ermee. En waar zelfafwijzing leidt tot destructie, opent verantwoordelijkheid de mogelijkheid tot volwassen vrijheid.

Epiloog – Echt wakker worden

Kinderen zijn onschuldig. En juist daarom kunnen zij geen verantwoordelijkheid dragen. Wanneer zij dat toch doen, vaak onbewust voor hun ouders, beschadigt hen dat. Volwassenheid daarentegen veronderstelt het verlies van onschuld. Wie volwassen wil zijn, aanvaardt schuld en draagt haar door verantwoordelijkheid te nemen.

De ambivalente moderne mens verwart deze twee. Hij meent dat de antithese van schuld onschuld is, en blijft zo gevangen in een kinderlijk bewustzijn dat verlangt naar vrijspraak. In dat verlangen wortelt een groot deel van het hedendaagse engagement. Niet als cynisch machtsstreven, maar als poging om aan een ondraaglijke innerlijke last te ontsnappen.

Wat zich vandaag aandient als een nieuwe emancipatoire beweging, is in dat licht een regressieve reactie. Waar de bevrijdingsbewegingen van de zestiger en zeventiger jaren openden wat gesloten was, wordt nu, uit angst voor de ondraaglijke openheid van vrijheid en verantwoordelijkheid, opnieuw gesloten wat open was. Het absolute van het groepsbewustzijn keert terug, vermomd als morele vooruitgang.

Woke is daarmee geen verlichting, maar een verwarring over schuld en onschuld, over kinderlijk verlangen naar zuiverheid en volwassen bereidheid tot dragen. Het is een poging van het uitgeputte ego om aan de fictie van eigenschuld te ontkomen, door zichzelf moreel te zuiveren via strijd tegen het eigene.

Echt wakker worden betekent iets anders. Het betekent ophouden onschuldig te willen zijn. Het betekent verantwoordelijkheid nemen zonder ideologie, zonder morele verheffing, zonder vijand. Niet om de wereld te herscheppen, maar om te antwoorden op wat is, hier en nu.

Posted on Categories Society