De kanteling van de elite

De elite is gekanteld. Van verticale verankering in traditie en verantwoordelijkheid naar horizontale netwerken van zelfbevestiging.

Wat op het eerst gezicht een eenvoudige geometrische verschuiving lijkt, blijkt in wezen een beweging met substantiële psychosociale, zelfs spirituele gevolgen, met tastbare en problematische maatschappelijk effecten. Dit leidt tot een grote politieke en sociale impasse. Is er een uitweg? 

Een systeem-psychologische analyse.

Inleiding

Weinige woorden roepen tegenwoordig zoveel emoties op als “elite”. Ooit een neutrale aanduiding voor de maatschappelijke bovenlaag, staat het nu symbool voor een klasse die wordt gezien als arrogant en losgezongen van de werkelijkheid. Populistische bewegingen van Den Haag tot Detroit gebruiken het als strijdkreet: tegen wat in Nederland de “grachtengordel” heet, tegen technocraten, tegen een vermeend zelfgenoegzaam establishment.

Historisch is dit niet nieuw. Van de Franse Revolutie tot 1968 keerden massa’s zich tegen elites die zij zagen als wereldvreemd en zelfzuchtig. Al eerder werd ervoor gewaarschuwd dat een samenleving die haar elites selecteert op basis van talent en opleiding evenzeer kan vastlopen in nieuwe, meritocratische ongelijkheid. Recente onderzoeken wijzen op een groeiende kloof tussen hoogopgeleiden en de rest, aangewakkerd door economische onzekerheid en culturele polarisatie.

Is de elite inderdaad “losgezongen”, geraakt, keert ze zich af? Of is het niet de elite die we onder het vergrootglas moeten leggen, maar het volk? Dat lijkt immers koppig vast te houden aan versleten verworvenheden en denkbeelden.

Tijdgeest: het water waarin we zwemmen

Wat is de tijdgeest? Het klinkt als iets buiten ons, een vage culturele windrichting die we kunnen analyseren van een afstand. Maar de waarheid is ongemakkelijker: de tijdgeest zijn wij zelf. Het is de lucht die we inademen, het water waarin we zwemmen. Juist daardoor merken we haar zo moeilijk op.

Want uit haar aard kan de tijdgeest zichzelf niet waarnemen. Zolang we er middenin staan, zolang we ermee geïdentificeerd zijn, lijkt ze vanzelfsprekend en onzichtbaar. Pas achteraf, als de geest van de tijd verschoven is, herkennen we haar greep. Dit maakt de vraag des te prangender: hoe zouden we haar ooit kunnen observeren zolang we haar ademen?

Ook filosofen hebben deze dynamiek gezien. Hegel stelde dat individuen en elites de tijdgeest niet scheppen, maar hem belichamen en actualiseren—vaak zonder het zelf te beseffen. Grote historische figuren zoals Napoleon waren volgens hem geen architecten van hun tijd, maar instrumenten van de Weltgeist, de geest die zich door hen uitdrukte.

De tijdgeest van de moderniteit voegt hier nog een extra laag aan toe. Want als er één karakteristiek is van onze tijd, dan is het wel haar rotsvaste geloof in haar eigen gelijk. We leven in een cultuur die zichzelf graag ziet als rationeel en vooruitstrevend. Analyse, wetenschap en technologie vormen de fundamenten waarop we vertrouwen. Ze brengt de pretentie met zich mee dat we alles weten, alles kunnen verklaren. Autonomie, zelfontplooiing en maakbaarheid zijn de heilige waarden geworden. We vieren de overtuiging dat we alles kunnen beheersen—ons lichaam, onze instituties, zelfs de natuur. Maar onder dit glanzende oppervlak schuilt een paradox.

Rationaliteit is wantrouwend tegenover emoties en heeft ze naar de achtergrond gedrongen. Individualisering heeft het collectief doen vervagen. Vrijheid is verworden tot eenzaamheid; wie faalt, faalt in zijn eentje. Het vooruitgangsdenken, ooit een bron van hoop, laat ons soms ontworteld achter. Wie niet meekomt, zoekt toevlucht in therapie, consumptie of verslaving. De belofte van maakbaarheid verandert zo in een last.

Kunnen we nog ontwaken uit deze vanzelfsprekendheden? Of moeten we wachten tot de tijdgeest zelf verschuift, zodat we eindelijk zien waar we in gevangen zaten? Of, ernstiger nog, doemen er aan de horizon existentiële crises op waar we blind voor zijn?

Het ambivalente ego

Wat betekent de tijdgeest voor de psyche van het individu? De jaren zestig en zeventig waren doordrenkt van een euforische moderniteit—zichtbaar in een explosie van kleuren en vormen in mode, kunst en muziek. Individualisering werd gezien als een teken van emancipatie. Autonome mensen zouden zich bevrijden van groepsdwang en vanuit rationaliteit en wederzijds respect nieuwe samenwerkingsverbanden vormen. Coalities zouden vloeibaar worden, identiteiten flexibel, en de wereld leek op weg naar meer rechtvaardigheid en voortdurende vooruitgang.

Het individu van vandaag is op zichzelf teruggeworpen. De triomf van autonomie en zelfbeschikking heeft een schaduwkant: het geïndividualiseerde ego is ambivalent omdat het zich alleen goed voelt als het bevestiging krijgt van buitenaf. In een wereld waar goden zijn verdwenen en vaste ankers als afkomst, gemeenschap en overtuiging zijn losgelaten, wordt het zelfvertrouwen van het ego façade. Het wordt verscheurd tussen de drang om vrij te zijn en de behoefte aan geborgenheid. Het individu zoekt nu morele houvast in lifestylekeuzes, ideologische zuiverheid en de goedkeuring van zijn peers.

De hallelujastemming over het vrije individu is daarmee voorbij. Het principe dat ‘alles moet kunnen’ heeft zijn dominantie verloren. Met het verdwijnen van deze euforie keren onze onlustgevoelens terug. En met die gevoelens sluipen ook schuld, schaamte en moralisme weer naar binnen—precies die emoties die we in de jaren zestig zo triomfantelijk overboord hadden gegooid. Ze verschijnen nu opnieuw, maar in subtiel veranderde gedaanten.

Volgens Wilfried Nelles lijkt dit ambivalente ego sprekend op de fase van de adolescentie zoals beschreven in de zeven niveaus van zijn Levensintegratieproces: trots en eenzaam, overtuigd van zijn eigen vrije wil, maar in wezen onzeker en afhankelijk van uiterlijkheden en ervaringen om zichzelf te voelen bestaan. Het denkt liever dan dat het voelt, hecht zich aan ideeën en ideologieën, en zet zich heftig af tegen zijn afkomst—niet omdat het vrij is, maar juist omdat het die vrijheid nog niet echt heeft bereikt. Het is, zoals Nelles zegt, “op weg, maar nog niet thuis”. Het ambivalente ego is, hoe zelfbewust het zich soms ook voordoet, nog onvolwassen.

Malte Nelles spreekt in Gottes Umzug ins Ich over een vergelijkbare dynamiek. Hij beschrijft hoe het heilige, dat ooit buiten het individu werd geplaatst in goddelijke of institutionele structuren, zich nu heeft verplaatst naar het zelf. Het ego is de nieuwe zetel van zingeving geworden, maar die nieuwe rol weegt zwaar. Waar eerder externe autoriteit houvast bood, staat het ik nu oog in oog met de leegte van zijn eigen projecties. De zelfverheerlijking van het ego—“mijn waarheid, mijn leven, mijn keuzes”—is tegelijk een vlucht voor het besef dat deze vrijheid grotendeels illusoir is.

Het ambivalente ego lijkt op een perpetuum mobile dat alleen draait dankzij externe prikkels. Het mist een intrinsieke energiebron, beweegt pas wanneer het van buitenaf wordt aangeraakt, en toont weinig weerbaarheid bij weerstand of tegenslag. Het is altijd bereid om te rebelleren, maar zelden om werkelijk te incarneren in de werkelijkheid zoals die is. Dat maakt het relevant om stil te staan bij de implicatie: de defaultreactie van het ambivalente ego op het leven – ondanks al zijn fear of missing out – is een impliciet “nee”. Want een “ja” dat afhankelijk is van voorwaarden, is in wezen een “nee” in vermomming.

Een kantelpunt?

Deze psychologische toestand is geen privékwestie. Het is een collectieve ervaring, een uitdrukking van de tijdgeest zelf. En het is precies dit collectief van geïndividualiseerde, onthechte en bevestigingshongerige ego’s, dat op zoek is naar een nieuw thuis. Waar leidt deze psychologische ambivalentie toe?

Hergroepering: van zuil naar identity-group

Ooit boden onze zuilen – die vanzelfsprekend verticale, stevig verankerde structuren – mensen richting en geborgenheid. De zuilen waren vaak beklemmend en hiërarchisch, maar boden ook loyaliteit en een gedeelde betekenis die het individu boven zichzelf uittilde.

En toen kwam – medio zestiger jaren – de moderniteit. Wat voor de hand leek te liggen, dat al die vrije en zich ontplooiende individuen een perfecte wereld zouden creëren, bleek een naïeve droom. Het ambivalente ego, dat in de leegte na de zuilen moest leren leven, bleek niet goed toegerust voor de fragmentatie van materie en geest. Het is ontworteld, eenzaam, en opgesloten in het eigen zelfbeeld. En de wereld is nog steeds niet perfect.

De opkomst van identity-groups

Het ambivalente ego zoekt houvast en vindt dat niet in de oude verticale verbanden – te “uncool”, te autoritair – maar in nieuwe horizontale structuren: de identity-groups. Deze zijn niet meer geworteld in locatie, religie of afkomst, maar in gedeelde opvattingen over de wereld en in uiterlijke kenmerken. Daarmee lijken ze een antwoord op de vraag die Bas Heijne in 2022 in NRC stelde: “Ik, ik, ik. Maar waar is de wij?”

Opvallend genoeg blijken deze horizontale groepen, ondanks hun progressieve zelfbeeld, verrassend gelijkvormig en dogmatisch. Zij presenteren zich als pleitbezorgers van diversiteit en inclusie, maar wie goed kijkt, ziet vooral sterke groepsdruk en weinig ruimte voor afwijking. Het individu, onzeker over zijn eigenwaarde, klampt zich aan de groep vast om niet in de existentiële leegte te vallen. Is dit de “wij” die we zoeken?

Horizontale structuren als vluchtheuvel

De identity-groups zijn voor het ambivalente ego een tijdelijk thuis, een vluchtheuvel in een wereld vol vervreemding. Ze bieden de illusie van gemeenschap, maar zijn niet geaard in een geografische locatie en niet afgedaald uit een spirituele betekenis. Ze zijn georganiseerd rond vluchtige ideeën en modieuze uiterlijke verschijningsvormen, en daardoor per definitie fragiel en ambivalent. De identity-group doet denken aan de supporters van een voetbalclub die, ondanks twintig opeenvolgende nederlagen, loyaal blijven. Het gaat niet meer om resultaat, maar om erbij horen.

Zoals Wilfried Nelles helder maakt met zijn beschrijving van het adolescentenego, klampen deze groepen zich vast aan kleine waarheden, terwijl ze andere kleine waarheden fel bestrijden. Het eigen gelijk wordt verheerlijkt en absoluut gemaakt. Dit leidt niet alleen tot meer interne gelijkvormigheid en groepsdruk, maar ook tot sterkere externe vijandbeelden.

De dynamiek van zulke groepen zien we terug in allerlei contexten: van progressieve mediaredacties tot conservatieve studentencorpora. De werkomgeving bij DWDD, die in 2020 tot een rel leidde, laat zien hoe ook een ogenschijnlijk hippe en progressieve cultuur precies volgens dit patroon functioneert: alles draait uiteindelijk om erbij horen. Voor het ambivalente ego is de angst om buiten de groep te vallen ondraaglijk. Daardoor wordt grensoverschrijdend gedrag stilzwijgend geaccepteerd, zolang het maar de eigen plek binnen de groep veiligstelt.

Robert Bly’s The Sibling Society bevestigt deze analyse en vult haar aan. Hij ziet een cultuur waarin de verticale relaties—ouder-kind, meester-leerling, burger-staat—zijn vervangen door horizontale relaties tussen “gelijkgestemden”. Het resultaat is een samenleving van broers en zussen, zonder ouderfiguren die richting of grenzen bieden. In zo’n context zoekt het ego voortdurend bevestiging bij zijn peers, maar vindt het geen dieper fundament. Bly schetst een wereld van permanente adolescentie: een cultuur waarin we elkaar spiegelen in oppervlakkige waarden en de moed missen om de diepte in te gaan.

Polarisatie

Wat rest is een samenleving vol horizontale netwerken die vooral draaien om zelfbevestiging. Het morele houvast dat de zuilen ooit boden, is vervangen door een diffuus moralisme binnen de groepen zelf.

Toch helpt deze samenklontering niet. Het is een neurotisch symptoom van een gefrustreerd ego, dat zijn ongenoegen projecteert in plaats van integreert. De hergroepering lijkt stabiliteit te bieden, maar onder het oppervlak groeit de polarisatie.

In deze veelheid van identity-groups hergroeperen de vrij zwevende ego’s zich als vanzelf in twee grote kampen: winnaars en verliezers. Winnaars vinden bevestiging en voelen zich geborgen in hun groep; verliezers ervaren afwijzing en dragen de schuld van hun falen volgens de meritocratische logica van de moderniteit. Succes is immers een persoonlijke verdienste, falen een persoonlijke tekortkoming. Winnaar worden of blijven is een existentiële aspiratie; verliezer worden is een existentieel risico.

Het resultaat is een massieve polaire herordening van de samenleving: stad versus platteland, hoog- versus laagopgeleid, woke versus reactionair, Oost- versus West-Europa, red versus blue states. Deze tegenstellingen verhevigen omdat de centrifugalekracht van polarisatie toeneemt.

De hergroepering van de elite: van verticale zuil naar horizontale identiteit

De hergroepering van het ambivalente ego heeft haar maatschappelijke sporen nagelaten. Deze beweging bleef niet beperkt tot de massa; ook de elite vond haar weg in deze horizontale ordening van de identity-groups:

Ooit was ook de elite verankerd in verticale structuren. Ze ontleende haar status niet alleen aan macht en bezit, maar ook aan een plek in een bredere gemeenschap. Er was een zekere wederkerigheid: privileges gingen gepaard met plichten, met loyaliteit aan een zuil die boven het individu uitstak. Hun identiteit werd gedragen door afkomst, locatie en instituties die als pilaren de samenleving schraagden.

Vandaag is die verankering opgelost. De elite is evenzeer als het ambivalente ego losgekomen van vaste grond. De elite die uit zijn horizontale aard vanzelfsprekend globalistisch is, is zo de belichaming van een bredere tijdgeest geworden: een kanteling van verticale structuren – die wortelden in geschiedenis en transcendentie – naar horizontale netwerken die vooral het eigen spiegelbeeld bevestigen. Er is geen verbinding meer met iets hogers, geen verantwoordelijkheid buiten de groep.

Het beeld is herkenbaar: met Schotse plooirok en corduroy pantalon stapte men vroeger in de Jaguar. Nu stapt men met een Patagonia jas en een KUYICHI jeans in de Tesla Model Y. Maar de vluchtigheid van het moderne bewustzijn toont zich, zelfs de Tesla is inmiddels alweer verdacht geworden onder het dwingende moralisme van de nieuwe groepsidentiteit. Wat resteert is een elite die vooral bezig is met erbij horen – en met het buitensluiten van wie niet voldoet aan de codes van de groep.

Toch is er ambivalentie, de weelde knaagt. Feitelijk is er “geen verantwoordelijkheid buiten de groep”. Maar het latente ongenoegen van het ambivalente ego vertaalt zich wél in idealistische projecties op de buitenwereld. Met grootse, illusoire, technocratisch visies, simpelweg gevat in percentages meer of minder, in tientallen en honderden miljarden worden luchtkastelen gebouwd. Het lijkt op verantwoordelijkheid nemen, maar mist concretisering of een haalbaarheidstoets. Het mist aarde. De gemakzuchtige hyperbool volstaat.

In werkelijkheid gaat het hier niet om verantwoordelijkheid, maar om een psychologisch defensiemechanisme: het ongemak wordt geprojecteerd in identitaire en megalomane plannen waarvan de consequenties niet gevoeld worden binnen het eigen horizontale verband . Zo probeert men latente schuldgevoelens te bezweren door ze naar buiten te verplaatsen, bovendien, zonder werkelijk af te dalen in de complexe werkelijkheid. De bestuurlijke onmacht van de elite resulteert slechts in hogere doses van dezelfde niet-werkzame medicatie.

Het World Economic Forum is hiervan een treffend voorbeeld: een globalistisch netwerk waar elites elkaar vinden in gedeelde opvattingen en rituelen van wederzijdse erkenning. Hun identiteit is geen anker in de wereld, maar een denkbeeld dat nergens geaard is, een spiegelpaleis van zelfbevestiging.

Zo belichaamt de globalistische elite de tijdgeest zelf: een kanteling van verticale structuren, die nog wortelden in geschiedenis en transcendentie, naar horizontale netwerken die vooral hun eigen spiegelbeeld koesteren.

Verticaal en horizontaal: twee dimensies van bewustzijn

De verticale lijn: verbinding tussen hemel en aarde

Toen de elite de top van een piramide was, was ze ingebed in een verticale hiërarchische lijn die de verbinding belichaamde tussen hemel en aarde. Bij de archetypische koning symboliseerde de kroon, met haar stralende punten, de zon die haar warmte en licht schonk aan het volk. De troon, massief en geworteld, stond voor de band met de aarde. In deze beeldtaal lag een diepe betekenis besloten: macht was niet autonoom, maar een functie binnen een grotere ordening die reikte van het transcendente tot het gewortelde. Verantwoordelijkheid was niet optioneel, maar ingebed in een netwerk van plichten en betekenissen.

De horizontale lijn: de illusie van vrijheid

De moderniteit heeft deze verticale oriëntatie grotendeels vervangen door een horizontale. Het is de dimensie van het ego, van identiteit als constructie. De horizontale mens ziet zichzelf als vrijer, rationeler, los van dogma’s. Maar die vrijheid blijkt bedrieglijk. Want het horizontale bewustzijn is gegrond in niets buiten zichzelf: geen afkomst, geen transcendentie, slechts de mentale projecties van het ego over wie het denkt te zijn en hoe de wereld zou moeten zijn.

De betekenis van een simpele herordening

De kanteling van de elite is meer dan een simpele herordening in structurele zin, het is een sociologisch fenomeen. Het raakt aan een dieperliggende beweging: de verschuiving van een verticale naar een horizontale oriëntatie, zowel maatschappelijk als psychologisch. Dit onderscheid is niet slechts geometrisch; het wijst op fundamenteel verschillende manieren van in de wereld staan die een fundamenteel andere spirituele betekenis hebben en vervolgens tot concrete maatschappelijke effecten leiden.

Eckhart Tolle: aanwezigheid als verticale dimensie

Eckhart Tolle onderscheidt deze twee dimensies op een manier die resoneert met deze tijdgeest. De horizontale lijn is het domein van gedachten, emoties, en ego-gedreven handelen – het onophoudelijke streven van het ik naar meer, beter, anders. Het is de wereld van doen, plannen, presteren.

De verticale dimensie daarentegen verwijst naar verbinding met het diepere zijn, naar de ruimte van stilte en aanwezigheid die voorbijgaat aan de drukte van de geest. Voor Tolle is dit geen ontsnapping uit het dagelijks leven, maar een bewustzijnstoestand waarin men in het midden van de horizontaliteit toch geworteld is in de tijdloosheid van het nu.

Balans ontstaat pas wanneer de horizontale beweging – onvermijdelijk in een menselijke samenleving – wordt doordrongen van de kwaliteit van de verticale aanwezigheid. Zonder deze inbedding blijft de horizontale lijn een rusteloze, onthechte stroom.

Krishnamurti: het radicale van de verticale sprong

Krishnamurti gaat nog verder. Hij ziet de horizontale lijn als de lineaire opeenvolging van gedachten, kennis en tijd: het domein van het bekende, van accumulatie en projectie. Het is waar ons denken voortdurend beweegt tussen verleden en toekomst, zonder ooit de werkelijkheid van het moment te raken.

De verticale dimensie is voor hem een breuk met dit patroon, een sprong naar directe waarneming en inzicht. Het is niet sequentieel of meetbaar, maar een radicale verschuiving van bewustzijn. Hier valt de tijd weg, en daarmee de illusie dat we onszelf kunnen bevrijden door nog meer kennis, plannen of idealen.

Maatschappelijke effecten: de horizontale elite en haar schaduw

De kanteling van de elite, van verticale structuren naar horizontale netwerken, heeft ingrijpende gevolgen voor de samenleving. Wat zich in eerste instantie manifesteerde als een psychologische beweging van het ambivalente ego, heeft zich inmiddels vertaald in institutionele dynamieken en politieke verhoudingen. De effecten daarvan zijn verstrekkend.

Het wegvallen van tegenkracht

Eén van de meest ingrijpende veranderingen is de verdamping van klassieke politieke tegenstellingen. De strijd tussen arbeid en kapitaal, die decennialang de politieke arena vormgaf, heeft plaatsgemaakt voor een diffuse consensus rond de maakbaarheidsgedachte. Linkse-, centrum- en rechtse partijen zijn nu verenigd in de gedeelde tijdgeest, in de overtuiging dat de werkelijkheid kan worden gestuurd, beheerd en gemanaged. Voor de één wordt het maakbaarheidsidee gerepresenteerd door de staat, voor de ander door de markt.

De oude verticale tegenstelling – tussen boven en beneden, elite en volk – heeft plaatsgemaakt voor horizontale schotten: identity-groups die elkaar bevestigen of bevechten, maar niet langer in dialoog staan met iets buiten henzelf. Hierdoor verdwijnt wat ooit countervailing power heette. De ene verticale elitegroep wordt geen tegenspeler tegenover een andere, tegenover andere machten, maar de hele elite wordt een horizontaal netwerk dat vooral zichzelf reproduceert.

Het politieke systeem volgt deze dynamiek. Verkiezingen verliezen betekenis; de uitkomst verandert weinig aan de koers. Representativiteit was ooit een verticale functie waarin het mandaat van het volk doorwerkte tot in de hoogste regionen. Nu wordt het gereduceerd tot een kille calculatie van de helft plus 1 waarmee men zich gelegitimeerd voelt tot een grenzeloos mandaat.

Technocratie en schaalvergroting

De horizontale elite is sterk geneigd tot schaalvergroting en de consequentie daarvan, technocratie. Haar voorkeur gaat uit naar theorieën, modellen en geharmoniseerde wetenschappelijke inzichten, met weinig affiniteit voor de weerbarstige werkelijkheid. Grote vraagstukken worden benaderd met schaalvergroting: mondiale klimaatafspraken, uniforme beleidslijnen, economische megapakketten van honderden miljarden. Het klinkt groots en ambitieus, maar mist vaak de verankering in lokale realiteit en de diepgang die complexe problemen vereisen.

Van verticale naar horizontale discriminatie

Zelfs de mechanismen van uitsluiting zijn gekanteld. Waar vroeger verticale discriminatie plaatsvond – geografisch, en daardoor ook vaak etnisch en religieus bepaald – zien we nu horizontale discriminatie onder het vaandel van diversiteit, gelijkheid en inclusie. We discrimineren nog steeds, maar nu anderen. En nieuwe vormen van geloof en ideologie ontstaan, waarbij afwijkende opvattingen niet worden getolereerd. De horizontaliteit, die zich presenteert als inclusief, is in werkelijkheid net zo uitsluitend, maar nu in een 90 graden gekantelde dimensie.

Het verlies van transcendentie en betekenis

Onder al deze fenomenen schuilt een dieper verlies: de afwezigheid van een verticale oriëntatie heeft de verbinding met transcendentie en betekenis doen verdampen. De elite, ooit de drager van waarden die reikten voorbij het eigenbelang, opereert nu in een spiegelpaleis van zelfbevestiging. Zonder verankering in iets hogers of buiten zichzelf, wordt macht een circulair proces: een voortdurende beweging van netwerken bouwen, beleid maken, en elkaar daarin bevestigen.

Moralisme

Dit verlies aan transcendentie laat zich voelen als een sluimerende existentiële leegte. Ondanks (of juist door) de constante activiteit en technocratische plannen, groeit een onbestemde onrust. Moralistisch hyperactivisme, grootspraak en visionaire projecten zijn vaak pogingen om deze leegte te vullen. Ideologie draait niet langer om een hoger doel, maar om het gelijk van het ambivalente ego. Dat heeft daardoor een narcistisch karakter gekregen, het is niet meer bezield, maar bezeten.

Een toetsing van de hypothese: Bruno Amable en de kantelende elite

Deze kanteling van de elite, in eerdere hoofdstukken beschreven als een psychologische en culturele dynamiek, vindt een verrassende bevestiging in het werk van Bruno Amable en Stefano Palombarini. Vanuit een economisch perspectief schetsen zij hoe de elite haar verticale oriëntatie verloor en zich horizontaal herordende – een analyse die de lijnen van dit essay krachtig ondersteunt. In het werk van Amable en Palombarini komt deze beweging tot uitdrukking met een scherpte die de hier geschetste hypothese niet alleen bevestigt, maar ook van nieuwe contouren voorziet.

Zij laten zien hoe westerse samenlevingen de afgelopen decennia zijn getransformeerd door neoliberale hervormingen, globalisering en technocratisering. Hij beschrijft hoe de traditionele elite – ooit verankerd in nationale structuren en verantwoordelijkheden – haar binding aan verticale verbanden heeft verloren. Wat ervoor in de plaats kwam, is een kosmopolitische elite, georganiseerd in horizontale netwerken die vooral op elkaar gericht zijn.

Deze nieuwe elite functioneert niet langer als bemiddelaar tussen maatschappelijke lagen, maar als zelfreferentieel systeem. Nationale belangen en lokale gemeenschappen verdwijnen naar de achtergrond, terwijl technocratische plannen en mondiale grootspraak de boventoon voeren. Het gaat om harmonisatie, modellen en miljardenpakketten – groot in ambitie, maar vaak losgezongen van de weerbarstige werkelijkheid. Amable noemt dit het “bloc bourgeois”

Amable en Palombarini wijzen erop dat deze horizontale elite democratie en representatie uitholt. Politieke processen worden rituelen zonder wezenlijke invloed; vertrouwen van burgers kalft af. In plaats van een elite die verantwoordelijkheid draagt voor het geheel, ontstaat een netwerk dat zichzelf spiegelt en bevestigt.

Hun analyse bevestigt zo de hypothese van dit artikel. Waar hier de nadruk lag op de psychologische en culturele dimensies van de kanteling, komen Amable en Palombarini vanuit een economisch en institutioneel perspectief tot eenzelfde kern: een elite die zich horizontaal hergroepeert en zo haar verticale verankering verliest.

Where Now?

We zien een elite die zich heeft teruggetrokken op de vluchtheuvel van horizontale netwerken van zelfbevestiging. Maar het ongemak blijft. Het ambivalente ego zoekt wanhopig naar richting, maar heeft het zichzelf met al zijn overtuigingen in een impasse gemanoeuvreerd. Alle nooduitgangen zijn vakkundig dichtgeslagen – op één na.

De weg omhoog

Opstijgen, terug naar de hemel, lijkt voor de hand te liggen. Maar daar is, sinds Nietzsche, niemand meer te vinden. En is er in het zelfbeeld van de gekantelde elite überhaupt nog ruimte voor iets hogers? Het moderne bewustzijn beschouwt zichzelf, in alle rationaliteit, als de hoogste bewustzijnsorde die ooit bestaan heeft – belichaamd in uiterlijke schoonheid en gezondheid, materiële welvaart en de onbetwistbare progressiviteit van wetenschap en techniek. Al deze verworvenheden, zo weet de meritocratische geest, danken we natuurlijk aan onszelf. Het idee dat er nog een transcendentie zou zijn – betekenisvoller dan de settled science – is ondenkbaar. Bovendien geldt: iedereen is volledig gelijk. Er is geen hoger of beter.

De weg opzij

Wie de hoogte vreest, kiest vaak voor de breedte: de beweging opzij. Maar die is verdacht. Zij is agressief, toxisch zelfs, en in haar kern mannelijk – want wie waagt het nog de subjectieve grenzen van de ander te naderen? In collectieve zin heet deze zijwaartse expansie tegenwoordig kolonisatie, en de geur die daaraan kleeft is niet bepaald fris. Zelfs een microbeweging in de richting van de ander – micro-agressie – is uit den boze. De zijwaartse weg is afgesloten.

De weg naar beneden

Dan is er de afdaling: terug naar de aarde. Dat klinkt romantisch, maar is om te beginnen verdacht om ecologische redenen, het vervuilt immers. Tenslotte zouden we kunnen wortelen in de grond – letterlijk en figuurlijk – maar wortelen, dat doen alleen boeren. En boeren, zo weten we, behoren tot een verguisde identity-group. Ook deze richting is dus moreel onwenselijk.

De (destructieve) weg naar binnen

Er blijft hier maar één weg over, de meest destructieve van de vier, die naar binnen. Hier trekt het ego zich terug uit de wereld, keert zich om en richt de pijlen op zichzelf. Maar niet op het zelf zelf – dat zou ondraaglijk zijn – wel op een aspect waarvan de maakbaarheidsfilosofie dicteert dat het vatbaar is voor verandering: mijn huidskleur, mijn geslacht, mijn land, mijn cultuur, mijn geschiedenis en, uiteraard, mijn voorouders.

In collectieve vorm zien we hier het wezen van de wokebeweging: een adolescentale introjectie die schuld en schaamte cultiveert tot morele valuta. Het lijkt een zoektocht naar heling, maar is een neurotische cirkel waarin de elite zichzelf voortdurend aanklaagt en tegelijk in de morele hoogte prijst. In de extreme vorm kan deze introjectie suïcidaal worden – als de radeloze uitweg van de zelfgerichte schuldneurose. Hoe triest ook: de analogieën met de jeugd zijn overduidelijk, en popmuziek bood daarvoor vaak de soundtrack.

De begaanbare weg

Er blijft één begaanbare weg over. Ook deze is innerlijk, maar hij ontvouwt zich pas wanneer het ego zijn adolescente illusies laat vallen. Hier is geen plaats meer voor introspectieve analyse of de obsessieve beheersdrang van het zelf. Wat rest is geen “ik” dat zichzelf verlost, maar een bewustzijn dat zich opgenomen weet in een groter geheel – bevrijd van de maakbaarheidsdwang en het moralisme dat haar zo lang gevangenhield.

Deze weg begint bij de erkenning van de verticale dimensie: dat al wat leeft zijn oorsprong vindt in de aarde, toen die beschenen werd door de zon – hoe men dit fenomeen ook in (meta)fysische of religieuze termen wenst te duiden. Pas daarna ontstond de horizontaliteit: het vlak waarop het “ik” zichzelf leert kennen door te spiegelen aan de ander. Wie zijn eigen Einzigartigkeit heeft leren ervaren, kan beseffen dat ook de ander uniek is – anders, en toch verbonden met mij.

Op dat moment komen de verticale en horizontale dimensie samen. We realiseren ons dat het „ik” en het „al” elkaar niet uitsluiten, maar juist onlosmakelijk verbonden zijn. Dan verschijnt het inzicht dat alles één is, en dat het ene zich weerspiegelt in alles.

Het is geen gemakkelijke weg. De elite – als vertegenwoordiger van een cultuur die zich in haar adolescentie heeft verschanst – zal zich verzetten. Want hier sterft het comfortabele verhaal dat alles om het ik draait. Maar alleen zo kan zij werkelijk kantelen: van spiegelpaleis naar venster, van schuld en schaamte naar verantwoordelijkheid, van adolescente zelfanalyse naar volwassen aanwezigheid in de wereld.