Steeds vaker duiken berichten op over angstculturen binnen organisaties — van politieke gremia tot culturele instellingen en mediabedrijven. Het lijkt een hardnekkig verschijnsel van deze tijd: de reflex om onveiligheid te claimen, druk te ervaren en angst te benoemen, nog voordat er een echt gesprek plaatsvindt over weerbaarheid, verantwoordelijkheid of professionele volwassenheid. Incidenten worden onmiddellijk vergroot door sociale media, waarna publieke verontwaardiging volgt en iemand ritueel wordt geofferd. Maar de vraag wat er werkelijk aan de hand is, blijft zelden langer dan een nieuwsdag liggen.
Het debacle rond voormalig Kamervoorzitter Khadija Arib liet zien hoe snel beschuldigingen zich kunnen opstapelen, vaak nog voordat de feiten goed en wel op tafel liggen. En de publieke executie van Matthijs van Nieuwkerk na verhalen over zijn tirannieke gedrag bij zijn talkshow liet zien hoe genadeloos we geworden zijn: één incident, één lek, één rel — en de digitale brandstapel staat klaar. Maar zelfs als we aannemen, quod erat demonstrandum, dat Arib en Van Nieuwkerk fouten hebben gemaakt, dringt zich een bredere vraag op: wat vertelt deze reflex over de tijdgeest waarin we leven?
De kater na de individualisering
Vroeger hoorde je gewoon ergens bij. Bij een dorpsgemeenschap, een stadswijk, een voetbalteam of een kerk. Dat erbij horen vloeide voort uit waar je geboren was, waar je woonde, of welk geloof je ouders aanhingen. Toen het moderne bewustzijn in de jaren zestig collectief losbarstte, met de emancipatie van het individu als kroonjuweel, leidde dat tot ontzuiling. We wierpen onze ketenen af, assertiviteitscursussen stroomden vol. De hiërarchie verdween; de meester heette ineens Jaap en de politieagent was ook maar een gewone dorpsgek. Dogmatische zuilen zouden verpulveren, en wat overbleef was — zo dachten we — een gelukkige gemeenschap van vrije, zelfstandige individuen.
Maar dat paradijs is enigszins uit beeld geraakt. We lopen massaal bij de therapeut, zoeken verdoving in games, seks en drugs en presenteren ons op Instagram met geoefende, maar onechte vrolijkheid aan onze “vrienden”. Ondertussen is pijnlijk duidelijk geworden dat velen maar half geslaagd zijn in hun individualiseringsproject: autonomie leidt niet vanzelf tot zelfstandigheid, niet vanzelf tot geluk en zeker niet vanzelf tot welvaart.
En dan dringt zich de vraag op: wat doet deze halfvoltooide emancipatie eigenlijk met ons?
Groepsdruk in identity-groups
Dolende zielen vormen in hun existentiële eenzaamheid opnieuw groepen. Maar dit keer geen verticale verbanden zoals onze oude “zuilen”, die nog leunden op herkomst, traditie en gemeenschap. Het zijn identity-groups: horizontale verbanden, niet geworteld in een geografische plek, niet ingebed in een spirituele betekenis, maar opgebouwd uit gedeelde wereldbeelden en uiterlijke kenmerken.
Opvallend genoeg zijn deze horizontale groepen, ondanks hun progressieve zelfbeeld, minstens zo gelijkvormig en dogmatisch als de zuilen die ze hebben vervangen. Ze prediken diversiteit en inclusie, maar wie beter kijkt, ziet vooral stevige groepsdruk en nauwelijks ruimte voor afwijking. Identity-groups zijn gegrond in niets anders dan een identiteitsopvatting en zijn daarom intrinsiek ambivalent en onzeker. Dat zie je terug in hun verbeten vasthouden aan de eigen kleine waarheid en het felle verzet tegen elke andere kleine waarheid. Van individuele vrijheid is geen sprake; de zuilen zijn slechts gekanteld. Maar ze bieden wél een thuis en een vluchtheuvel in een wereld vol vervreemding.
De redactie van DWDD was ook zo’n hippe identity-group, het Ajax van de media. Een pretentieus en progressief bastion waar elk Amsterdams mediatypje dolgraag bij wilde horen. Maar in zijn groepsdynamiek functioneerde DWDD precies zoals de traditionele studentencorpora: alles was geoorloofd, alles werd getolereerd om erbij te horen. Alleen sta ik nergens, en dus slik ik grensoverschrijdend gedrag — als de prijs voor mijn plek in de groep.
Locus of control en slachtoffercultuur
“Locus of control” is een psychologisch concept dat in de jaren vijftig werd beschreven door Julian Rotter. Mensen met een interne locus of control ervaren dat zij invloed hebben op hun leven; wie een externe locus of control heeft, voelt zich geleefd door omstandigheden en machteloos tegenover gebeurtenissen. Onderzoek laat zien dat een interne locus of control leidt tot minder stress, betere gezondheid en een hogere mate van weerbaarheid. Een externe locus of control daarentegen correleert sterk met angststoornissen. Het is geen toeval dat dit concept in de jaren vijftig ontstond: het ideaal van de moderne emancipatie was immers dat de locus of control zou verschuiven van hiërarchie naar individu. Eindelijk vrij. En precies daar begint het probleem.
We hebben onze zin gekregen: we zijn vrij, we hebben onze eigen mening, we zitten zelf aan het stuur. Maar die vrijheid bevalt velen maar matig — dat zagen we in coronatijd pijnlijk duidelijk. We hebben een interne locus of control opgeëist, omdat dat is wat we dachten te willen. Het maakbare leven is heerlijk als het meezit, maar genadeloos als het tegenzit. Wie faalt, faalt nu “op eigen kracht”. Dat ondraaglijke gevoel wordt vervolgens geëxternaliseerd: de locus of control schuift weer naar buiten.
Het gevolg is een nieuwe morele cultuur van slachtofferschap: het idee onderdeel te zijn van een misdeelde micro-minderheid. En slachtoffers kunnen rekenen op een warm maatschappelijk onthaal. Maar een angstcultuur heeft een prijs. Voor het individu — want met een externe locus of control sta je er mentaal en fysiek slechter voor. En voor de samenleving — omdat samenleven ingewikkelder wordt zodra slachtofferschap volledig wordt gesubjectiveerd: één claim, één emotie, één stelling blijkt voldoende. Dat creëert maatschappelijke angst. Vraag het maar aan managers, leraren, verpleegkundigen of politieagenten.
Leiderschapsvrees en politisering van organisaties
Wie “angstcultuur” googelt, ziet dat het verschijnsel opvallend vaak voorkomt bij overheidsorganisaties: gemeenten, waterschappen, provincies — en dus ook bij de griffie van de Tweede Kamer. Op het eerste gezicht lijkt dat vreemd: vriendelijke mensen, een publieke opgave met betekenis, redelijke werkdruk, transparantie, midden in de samenleving. Hoe veilig wil je het hebben? Maar in de praktijk ligt het genuanceerder.
Polderland Nederland heeft weinig traditie in leiderschap — ook niet in modern, coachend en richtinggevend leiderschap. We houden het graag gezellig, participatief, inhoudelijk. Grenzen stellen? Consequenties verbinden aan gedrag? Dat vinden we moeilijk. Het gevolg is gebrek aan richting en, uiteindelijk, grenzeloosheid. En zoals de ontwikkelingspsychologie ons leert: grenzeloosheid maakt kleine kinderen bang. Als die grenzeloosheid maar lang genoeg duurt, geldt dat evenzeer voor volwassenen. En met het rond woekerend angstcultuurvirus in onze organisaties durft geen manager meer iemand aan te spreken en vergroot dit slechts de onveiligheid.
Daar komt bij dat de politiek zich steeds nadrukkelijker bemoeit met ambtelijke organisaties. Staatsrechtelijk heeft zij daar geen directe zeggenschap over, maar haar invloed is steeds voelbaarder. Dat leidt tot angst en verwarring: wie is mijn baas? Van wie krijg ik instructies? Het klassieke argument van Max Weber — dat de ambtelijke organisatie tijd nodig heeft om de politieke waan van de dag te verteren en te vertalen — is nog altijd relevant. De politieke dynamiek en machtsstrijd rechtstreeks de organisatie binnenhalen is destructief: het schaadt zowel de politiek als de ambtenarij en levert zelden iets duurzaams op.
Hoe vaak werken we eigenlijk écht aan een stevig machtsevenwicht tussen politiek en ambtelijke dienst? Hoe vaak investeren we écht in modern leiderschap van publieke bestuurders en weerbaarheid van onze medewerkers?
Doodsbang voor een angstcultuur
En zo worden we met zijn allen steeds banger. In het handboek voor psychische aandoeningen, de DSM, groeide het aantal pagina’s over angststoornissen van 15 in 1980 naar 99 in 2013 — een stille indicatie van hoezeer angst ons tijdperk is binnengeslopen.
Na ieder nieuw incident van machtsmisbruik in een organisatie stamelen onze leiders weer een welgemeend, maar toch gratuit excuus, waarna één persoon ritueel wordt geofferd op de digitale brandstapel. Vervolgens gaat men over tot de orde van de dag — of beter: de orde van de timeline.
Maar zolang we de hierboven beschreven maatschappelijke dynamieken niet willen zien, of ze uitsluitend bekijken door de lens van politieke wenselijkheid, lossen we niets op. Ontkenning en verkeerde diagnoses hebben gevolgen. Als ik een oorontsteking heb en de dokter besluit mijn enkel in het gips te zetten, vinden we dat absurd. Sociaal doen we het echter voortdurend: in plaats van een juiste diagnose geven we een wenselijke, politiek correcte — en telkens zijn we verbaasd dat het symptoom maar niet verdwijnt.
Bange mensen creëren een angstcultuur. Leiders én volgers, politici én ambtenaren, hipsters én corpsballen — niemand uitgezonderd. Er is geen angstcultuur bij DWDD, bij de corpora of bij de griffie van de Tweede Kamer. Wij zijn de angstcultuur. En dat betekent dat jij morgen net zo goed het volgende slachtoffer kunt zijn — of de volgende dader. Een samenleving die door angst wordt bestuurd, kan geen rechtvaardige samenleving zijn. Angst maakt klein, wantrouwig en afhankelijk — precies het tegenovergestelde van wat een moderne democratie nodig heeft.