Desinformatie is geen afwijking, maar een symptoom

Een fenomenologische blik op moraal en macht

Hoofdstuk I Inleiding

1. Desinformatie als bedreiging

Desinformatie en fake news worden in toenemende mate gezien als bedreigingen voor onze instituties en voor het functioneren van democratische samenlevingen. Ze zouden het publieke debat vergiftigen, het vertrouwen ondermijnen en de maatschappelijke samenhang aantasten. In politieke toespraken, beleidsstukken en mediacommentaren wordt het fenomeen gepresenteerd als een urgent probleem dat om ingrijpen vraagt.

Inmiddels is desinformatie al lang niet meer alleen maar een discussiepunt maar heeft de Europese Commissie haar regulering tegen desinformatie versterkt door de Code of Practice op te nemen in het wettelijk kader van de Digital Services Act, platforms als Meta en X te beboeten voor niet-naleving, en nieuwe programma’s voor mediageletterdheid en monitoring te lanceren om burgers en samenlevingen weerbaarder te maken.

Dit essay stelt de vraag of we door de vanzelfsprekendheid waarmee deze problematisering plaatsvindt we niet volledig voorbijgaan aan de aard van het verschijnsel zelf. Is het wel juist om desinformatie als fout gedrag te bestempelen. Misschien is het wel een symptoom van de tijdgeest? En het moraliseren van symptomen is zinloos, net zoals het zinloos is een fel tegenstander van verkoudheid te zijn. Laten we eens een fenomenologische blik werpen op de systemische en psychologische onderstromen van desinformatie.

2. De morele autoriteit spreekt

Wanneer morele autoriteiten zich over desinformatie uitspreken, krijgt het verschijnsel een expliciet ethisch karakter. Zo sprak paus Franciscus in 2018 op Wereldcommunicatiedag over fake news als het werk van de duivel, en hij vergeleek desinformatie met de slang die Eva verleidde om van de verboden vrucht te eten, als een verleidende kracht die de mens van de waarheid afbrengt. Ook in latere jaren, onder meer tijdens de coronapandemie, keerde dit morele frame terug.

Met dergelijke uitspraken wordt desinformatie niet alleen als onjuist of schadelijk benoemd, maar als moreel verwerpelijk. Daarmee verschuift het debat van de vraag naar waarheid en betekenis naar een oproep tot betamelijk gedrag en correct handelen.

3. De centrale vraag

Deze morele duiding blijft niet beperkt tot religieuze leiders. Ook politici, bestuurders en wetenschappers benadrukken dat desinformatie bestreden moet worden, desnoods met regelgeving, censuur of gedragsinterventies. De onderliggende aanname is dat desinformatie een vorm van afwijkend gedrag is dat kan en moet worden gecorrigeerd.

Maar deze vanzelfsprekendheid verdient nader onderzoek. Want wat als desinformatie niet primair een fout is die hersteld moet worden, maar een verschijnsel dat iets laat zien over de tijd waarin het ontstaat? De vraag die zich dan opdringt is niet hoe desinformatie te stoppen, maar waarvan zij een symptoom is.

Hoofdstuk II

4. Desinformatie is geen gedrag, maar een verschijnsel

In dit essay wordt desinformatie niet opgevat als verwijtbaar gedrag van individuen of groepen, maar als een autonoom verschijnsel dat voortkomt uit bredere maatschappelijke, culturele en technologische ontwikkelingen. Net zoals verschijnselen als eenzaamheid, burn-out of polarisatie laat desinformatie zich niet begrijpen door uitsluitend te focussen op individuele intenties of morele tekortkomingen.

Wie desinformatie uitsluitend benadert als fout of misleiding, veronderstelt impliciet dat er een helder onderscheid bestaat tussen ware en onware informatie, tussen betrouwbare en onbetrouwbare bronnen, en dat dit onderscheid door autoriteiten kan worden bewaakt en afgedwongen. Juist deze veronderstelling staat echter onder druk.

Desinformatie is in deze benadering geen oorzaak, maar een symptoom: een zichtbare uitdrukking van een onderliggende ontwrichting in betekenisgeving, autoriteit en waarheid.

5. Moraliseren als teken van onmacht

Het moreel veroordelen van desinformatie is begrijpelijk, maar niet neutraal. Moraliseren suggereert dat een probleem oplosbaar is door gedragsaanpassing, regulering of disciplinering. Daarmee sluit het aan bij het moderne geloof in maakbaarheid: de overtuiging dat maatschappelijke problemen kunnen worden opgelost door de juiste interventies, regels en technieken.

Wanneer dit maakbaarheidsdenken zijn grenzen bereikt, verschuift de toon. Wat niet meer beheersbaar blijkt, wordt moreel geladen. De oproep om desinformatie te bestrijden met censuur, wetgeving of morele verontwaardiging kan daarom worden gelezen als een signaal van onmacht: het teken dat de vertrouwde instrumenten tekortschieten. En het is veelzeggend dat juist morele autoriteiten als de paus opnieuw het publieke domein betreden. Zegt dit iets over een renaissance van religie — of vooral over de onmacht van de moderniteit?

In plaats van de vraag te stellen wat desinformatie veroorzaakt, wordt zij veroordeeld. Daarmee verdwijnt het verschijnsel niet, maar wordt het onbegrepen gelaten.

Hoofdstuk III – Tijdgeest

6. Over de onmogelijkheid van afstand

Wie probeert de tijdgeest te begrijpen, stuit op een fundamenteel probleem: wij staan er niet buiten. De tijdgeest is geen object dat zich laat beschouwen vanaf een neutrale positie, maar een geheel van overtuigingen, aannames en vanzelfsprekendheden waarvan wij zelf deel uitmaken. Zoals een vis het water niet opmerkt waarin hij zwemt, zo is ook de mens zelden volledig bewust van het bewustzijn waarin hij leeft.

Dit essay pretendeert dan ook geen verklarende theorie te bieden, noch een sluitend model. Het vertrekpunt is fenomenologisch: het beschrijven van verschijnselen zoals zij zich aandienen, zonder ze direct te reduceren tot oorzaken, schuldigen of oplossingen. Niet om afstand te creëren, maar juist om nabij te blijven bij wat zich toont.

Een dergelijke benadering veronderstelt geen superieur perspectief, maar erkent dat elke analyse zelf onderdeel is van datgene wat zij onderzoekt. De hier beschreven fenomenen zijn geen afwijkingen van ‘de samenleving’, maar uitdrukkingen ervan, inclusief deze tekst zelf.

Hoofdstuk IV. Fenomenen van de moderniteit – Een fenomenologische beschrijving

7. Autoriteitserosie en de dictatuur van het individu

Sinds de jaren zestig zijn veel traditionele autoriteiten van hun voetstuk gevallen of er actief vanaf geduwd. Religieuze, politieke, wetenschappelijke en pedagogische gezagsdragers worden niet langer vanzelfsprekend erkend. Hun gelijk wordt betwist, hun intenties gewantrouwd, hun positie gerelativeerd. Het verval staat niet op zichzelf, de autoriteit ontleende zijn positie aan gedeelde waarden, aan een gedeelde werkelijkheid, en nu die verdwijnen door de individualisering, verdwijnt ook de grond van zijn legitimatie.

Waar autoriteiten verdwijnen, ontstaat geen leegte, maar een veelheid aan zelfverklaarde autoriteiten. Steeds meer individuen beschouwen zichzelf als bron van waarheid en betekenis. Het gevolg is een fragmentatie van perspectieven waarin onderlinge overeenstemming steeds moeilijker wordt.

Wat aanvankelijk werd gevierd als individuele vrijheid en bevrijding uit de dwang van de groep, krijgt daarmee een andere keerzijde. Als iedereen gelijk heeft, bestaat er dan nog zoiets als waarheid? Als iedereen zijn eigen waarheid heeft, waar liggen dan nog grenzen? De hypothese dat de dictatuur van de groep zou transformeren naar de vrijheid van het individu blijkt in de praktijk minder eenduidig. De collectieve orde lijkt te zijn ingeruild voor een nieuwe vorm van dictatuur: die van het individu.

8. Het wankelmoedige ik

De belofte van individualisering was groot. Babyboomers herinneren zich de euforie van nieuwe vrijheden, het idee dat ieder zichzelf kon zijn, los van opgelegde rollen en structuren. Wat dat ‘zelf’ precies inhield, bleef echter onduidelijk.

De hooggespannen verwachtingen komen niet altijd uit: de eigen waarheid van het individu maakt diens leven niet vanzelf betekenisvol. In de praktijk is er geen autonomie en wijsheid gecreëerd maar ambivalentie: Wie ben ik? Ben ik goed genoeg? Daardoor hebben velen steeds minder houvast en dat maakt onzeker. Gebiologeerd staren we naar het scherm van onze iPhone, hongerend naar een like, terwijl therapeuten drukker zijn dan ooit.

Het individu wordt tegenwoordig onophoudelijk aangesproken op zelfverwezenlijking, terwijl het tegelijkertijd onophoudelijk wordt gemeten, vergeleken en beoordeeld. Reclame, sociale media en peer groups vertellen ons hoe we moeten zijn: uniek en speciaal. Deze paradox leidt tot stress, onzekerheid en een groeiende tweedeling.

Veel mensen blijken hun eigen uniciteit nauwelijks te kunnen dragen. Zij zoeken houvast in identiteitsgroepen waarin men juist weer sterk op elkaar lijkt — of het nu gaat om activisten, corpsstudenten of hooligans. De veelgeprezen individualisering leidt zo tot conformisme en eenvormigheid. De vraag “wie ben ik?” blijft onbeantwoord, terwijl het verlangen naar bevestiging groeit.

9. De democratisering van het nieuws

Nog maar enkele decennia geleden was nieuwsproductie een solide bedrijfstak en het domein van professionals. Journalistiek vereiste infrastructuur, vakmanschap en institutionele inbedding. Vooral door de smartphone en platforms als bijvoorbeeld Facebook, Instagram en X is zowel de nieuwsgaring als publicatie van nieuws gedemocratiseerd. Iedere burger heeft in potentie deze dubbelrol ten opzichte van het nieuws: hij of zij is producent én consument. Popartkunstenaar en mediafenomeen Andy Warhol kondigde dit verschijnsel al in 1968 aan, ieders “moment of fame”. En in het huidig narcistisch tijdperk doen we niets liever dan met een selfie-post het eigen “moment of fame” te vieren.

Deze democratisering van het nieuws heeft geleid tot een explosie van informatie, maar ook tot een vervaging van grenzen. Het onderscheid tussen nieuws, opinie, marketing en propaganda is steeds moeilijker te maken. Afzenders zijn vaak onduidelijk, belangen onzichtbaar, en context ontbreekt.

Waar journalistieke normen ooit gericht waren op objectivering en duiding, zijn media steeds sterker gaan concurreren op emotie en betrokkenheid. Algoritmen versterken deze dynamiek door persoonlijke emotiebubbels te bevestigen. Het resultaat is een race to the bottom waarin snelheid en aandacht belangrijker zijn dan samenhang en betekenis.

10. Aandacht creëert realiteit

In de kwantumtheorie, de psychologie en spirituele tradities is het idee bekend dat aandacht realiteit beïnvloedt. In het huidige medialandschap krijgt dit principe een alledaagse vorm. Onbeduidende incidenten kunnen, mits zij de juiste snaar raken, uitgroeien tot mediastormen met politieke consequenties.

De proportie van gebeurtenissen wordt steeds minder bepaald door hun maatschappelijke betekenis, en steeds meer door het aantal clicks, likes en retweets. Incidenten als aanspoelende potvissen, brallende corpsleden, ministeriële dienstreizen en godvrezende fakkeldragers lichten op, verdwijnen weer, en maken plaats voor nieuwe. Bestuur en beleid reageren op deze dagkoersen, terwijl onderliggende, trage crises grotendeels buiten beeld blijven.

Zo ontstaat een mediacratie waarin beeldvorming werkelijkheid wordt. Maar onze instituties zijn zo fijnmazig met elkaar verweven en onze uitvoeringsorganisaties zijn zo grootschalig en complex, dat het sturen op dagkoersen deze tot gekte drijft. Toch blijven we ons verbazen dat instituties uiteenvallen en organisaties vastlopen.

Sturing op incidenten leidt er bovendien toe dat structurele problemen zich onzichtbaar verder ontwikkelen.

11. De ontdekking van het niet-weten en de erosie van de wetenschap

Yuval Harari heeft het in zijn Kleine Geschiedenis van de Mensheid een contra-intuïtieve maar interessante observatie gedaan: met de ontdekking van de wetenschap hebben wij het niet-weten ontdekt. Het is nog niet zo lang geleden dat kennistradities als islam, christendom of boeddhisme de bron waren van alle kennis. Alles wat er over de wereld te weten was, was bekend bij de almachtige goden en de grote wijzen. Die kennis werd door hun geschriften of door de uitleg van toegewijde priesters aan de sterveling geopenbaard en dat volstond. Deze ontdekking van het niet-weten heeft enorme vooruitgang mogelijk gemaakt, maar ook een fundamentele onzekerheid geïntroduceerd.

Want tegelijkertijd kan wetenschap geen antwoord geven op zingevingsvragen. In maatschappelijke en politieke debatten wordt zij echter steeds vaker ingezet als leverancier van definitieve waarheden. Uitspraken als the science is settled beogen discussie te sluiten en geven wetenschap een absolute status die haar vreemd is.

De ontdekking van het niet-weten is geen tekort van de wetenschap, maar haar grootste verworvenheid. Wetenschappelijke kennis is per definitie voorlopig, contextueel en corrigeerbaar. Het probleem ontstaat niet in de wetenschap zelf, maar in de maatschappelijke en politieke omgang met wetenschap, waarin deze voorlopigheid niet verdragen wordt. In een cultuur die maakbaarheid, beheersing en voorspelbaarheid eist, wordt wetenschap gedwongen een zekerheid te leveren die zij principieel niet kan bieden. Zo wordt niet de wetenschap dogmatisch, maar haar maatschappelijke functie.

Hoofdstuk V – Maatschappelijke gevolgen – Wanneer alledaagse verschijnselen elkaar versterken.

Uiteraard is in een maatschappij waarop de complexiteitstheorie steeds meer van toepassing is niet zo makkelijk te onderscheiden wat causaliteit is, wat oorzaak en wat gevolg is, waar transitie begint en waar die eindigt. Hieronder is gepoogd de hierboven beschreven fenomenen te vertalen naar hun maatschappelijke consequenties.

12. Communicatie-regressie

De beschreven ontwikkelingen hebben ingrijpende gevolgen voor de manier waarop mensen met elkaar communiceren. Sociale media kenmerken zich door drie eigenschappen: ze zijn kort, snel en overal. Context ontbreekt, verdieping is nauwelijks mogelijk en boodschappen worden zonder distantie en reflectie verspreid.

Deze combinatie leidt tot een voortdurende overprikkeling. Mensen worden real-time blootgesteld aan een informatiebombardement dat nauwelijks te verwerken is. De schaal en snelheid maken dat niet het rationele, maar het instinctieve deel van de mens wordt aangesproken. Beelden winnen het van teksten, headlines van analyses, emotie van overweging.

In psychologische termen kan dit worden opgevat als regressie: een terugval naar een eerdere bewustzijnsfase waarin primaire impulsen domineren. Seksualiteit en veiligheid, verlangen en angst worden de dominante registers. De rustige, beschouwende toon die ooit het publieke debat kenmerkte, heeft plaatsgemaakt voor impulsiviteit en verontwaardiging.

13. Polarisatie

De verruwing van het maatschappelijk klimaat wordt vaak benoemd in termen van polarisatie. In reactie daarop worden burgers aangespoord om anders te communiceren: beter te luisteren, tot tien te tellen, elkaar te laten uitspreken. Deze benadering veronderstelt dat polarisatie een gedragsprobleem is dat met gedragsinstructies kan worden opgelost.

Maar polarisatie laat zich niet begrijpen als individuele ontsporing. Zij is een structureel gevolg van de fragmentatie van betekenissen, de aandachtseconomie en de schaal van moderne communicatie. In een zee van meningen moet men steeds harder, sneller en extremer spreken om gehoord te worden. Aandacht lokt tegenaandacht uit, en elke positie roept haar tegendeel op.

Polarisatie is daarmee geen moreel falen, maar een energetisch principe. Zoals in een draaikolk middelpuntvliedende krachten polen uit elkaar drijven, zo bewegen maatschappelijke posities steeds verder uiteen. Niet omdat mensen dat willen, maar omdat het systeem zo werkt.

14. Media als mainstream

De etymologische oorsprong van het woord media is dat het woord de Latijnse onzijdige meervoudsvorm is van medium. Het stamt af van medius, wat “midden” of “tussenliggend” betekent. In de kern verwijst het dus naar het middel of kanaal dat zich tussen een zender en ontvanger bevindt om informatie over te dragen.

Het zal zeker mede daarom zijn dat media zichzelf traditioneel beschouwen als neutrale dragers van informatie: waarnemers die buiten de orde staan en haar kritisch volgen. In een stabiel maatschappelijk landschap was die positie houdbaar. In een contextloze, versnelde en commerciële informatiewereld is zij dat steeds minder.

Ook media raken hun houvast kwijt in een overvloed aan perspectieven en belangen. Om relevant te blijven zoeken zij aansluiting bij dominante narratieven die nog enige mate van samenhang en impact bieden. Zo ontstaat wat doorgaans wordt aangeduid als ‘mainstream media’: niet als bewuste machtsgreep, maar als overlevingsstrategie.

De media zijn daarmee niet zozeer zelf de gevestigde orde geworden, maar hebben zich geïdentificeerd met datgene wat in een chaotische werkelijkheid nog als werkelijkheid functioneert: macht. Het verlies van onafhankelijkheid kunnen we niet slechts afdoen als moreel falen, maar een symptoom van dezelfde dynamiek die zij geacht worden te beschrijven.

15. Erosie van de politiek

Als er één instituut is dat onder de beschreven verschijnselen lijdt, dan is het wel de politiek. De overdaad aan oneliners en clickbait leidt daar tot chaos, terwijl vrijwel ieder kader voor een stabiele en genuanceerde duiding ontbreekt. Dit leidt per definitie tot versplintering, extremisme en polarisatie, zowel binnen parlementen als binnen regeringen. In vele grote Westerse democratieën is dit zichtbaar: enerzijds ontstaan patstellingen en stagnatie, anderzijds grensoverschrijdend bestuurlijk gedrag.

Binnen deze dynamiek moeten politici en partijen steeds harder roepen en extremere standpunten innemen om gehoord te worden. Bij elke verkiezing neemt de versplintering toe en worden oude, meer genuanceerde standpunten ingeruild voor nieuwe en scherpere posities. Deze ontwikkeling draagt verder bij aan de groei van chaos. Als gevolg daarvan wordt de politiek steeds kritischer bejegend en daalt het vertrouwen, wat leidt tot voortdurende electorale aardverschuivingen.

Op deze erosie van de politiek is echter moeilijk vat te krijgen vanwege het staatkundige principe van het primaat van de politiek. Dit principe beschrijft het monopolie van het parlementaire systeem om te bepalen wat het algemeen belang is en hoe maatschappelijke ontwikkelingen vorm moeten krijgen. De politiek reflecteert als hoogste wereldlijke, betekenisgevende orgaan weliswaar op alles in de samenleving, maar niet fundamenteel op zichzelf.

Hierdoor komt de maatschappelijke legitimatie van de politiek steeds verder onder druk te staan. Dit wordt echter verhuld door te verwijzen naar de formele legitimatie. In het politieke spel blijft men ondertussen naar meerderheden zoeken. Wanneer de politiek niet onderkent dat zij zelf eveneens onderhevig is aan sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen — aan wat men bij wijze van spreken een primaat van de bewustzijnsontwikkeling zou kunnen noemen — ontstaat er een blinde vlek. Wie beschermt de maatschappij tegen de blinde vlekken van het collectief van politici? Veel politici negeren deze dynamiek en houden des te verbetener vast aan formele legitimatie en de eigen waarheid.

Hoofdstuk VI Synthese – Waarheid en ambivalentie

16. Van absolute waarheid naar ego-waarheid

Tot voor enkele decennia werd het perspectief op de waarheid bepaald door God. De goddelijke waarheid was absoluut en werd, zonder onze inspraak, voor ons geïnterpreteerd door de leiders van de godsdienst of de cultuur van de groep waar we deel van uitmaakten. Die groep bood beschutting, maar diezelfde beschutting werd gaandeweg ook als een beknotting ervaren.

Met het ontwaken van het individu hebben we ons uit die groep bevrijd. Daarmee kregen we enerzijds toegang tot het niet-weten, tot de relativering van het weten, waarvan de wetenschap een belangrijke exponent is. Maar juist omdat dat niet-weten zo spannend en onzeker was, projecteerde het individu daarnaast de goddelijke waarheid op zichzelf. Ik denk dus ik ben, aldus Descartes. Zo kreeg de ego-waarheid een absolute status.

Daarmee ontstond in de moderniteit een intrinsieke ambivalentie. Op individueel niveau manifesteert die zich als een spanning tussen het niet-weten en het absolute van het ego. Op collectief niveau verschijnt dezelfde tweespalt tussen enerzijds de werkelijkheid van armoede, geweld, vervuiling en uitputting, en anderzijds de menselijke pretentie dat de wereld maakbaar en beheersbaar is en dat we haar moeten en kunnen redden.

Tegelijkertijd projecteerde het individu, geconfronteerd met deze onzekerheid, de waarheid op zichzelf. Het eigen perspectief, het eigen oordeel en de eigen ervaring kregen een absolute status. Zo ontstond een verschuiving van goddelijke waarheid naar ego-waarheid. De consequentie van dit moderne, intrinsieke conflict tussen het niet-weten en de absolute status van het ego, is desinformatie.

17. Het innerlijke conflict van de moderniteit

Deze ontwikkeling heeft de moderniteit opgezadeld met een fundamentele ambivalentie. Op individueel niveau bestaat zij uit de spanning tussen het besef van niet-weten en de behoefte aan zekerheid en erkenning. Op collectief niveau manifesteert zij zich als een tegenstelling tussen de realiteit van armoede, geweld, vervuiling en uitputting enerzijds, en de menselijke pretentie van maakbaarheid en beheersing anderzijds.

Het moderne bewustzijn leeft in deze spanning zonder haar werkelijk te kunnen verdragen. Het niet-weten wordt erkend, maar niet gedragen. De voorlopigheid van kennis wordt beleden, maar niet geaccepteerd. Daarmee ontstaat een voortdurende drang om onzekerheid te bezweren met overtuiging, stelligheid en morele claims.

18. Desinformatie als onvermijdelijk gevolg

Binnen deze ambivalentie verschijnt desinformatie niet als anomalie, maar als logisch gevolg. Waar individuele perspectieven zijn geabsolutiseerd en gedeelde referentiekaders ontbreken, wordt elk bericht onvermijdelijk subjectief. In een dergelijke context is vrijwel elk nieuws in potentie nepnieuws, niet omdat het intentioneel misleidend is, maar omdat de voorwaarden voor gedeelde betekenis ontbreken.

Desinformatie is daarmee geen breuk met de moderniteit, maar haar expressie. Zij is de keerzijde van zes decennia individuele bevrijding, technologische ontwikkeling en de absolutering van het ego. De vraag is niet hoe dit verschijnsel kan worden uitgebannen, maar hoe ermee te leven in een wereld waarin waarheid niet langer vanzelf spreekt.

Hoofdstuk VII – Moralisme als regressie

19. Desinformatie als welvaartsziekte

Desinformatie en fake news zijn autonome symptomen van de moderniteit. Pas in een samenleving waarin structuren en betekenissen verregaand zijn gefragmenteerd, en waarin het individu zijn eigen perspectief tot norm heeft verheven, kan desinformatie deze schaal en intensiteit aannemen. In die zin is desinformatie geen afwijking, maar een product van welvaart, technologische ontwikkeling en individuele bevrijding.

Het was decennia geleden nauwelijks voorstelbaar hoezeer deze combinatie effect zou hebben op vrijwel alles wat een samenleving uitmaakt: omgangsvormen, instituties, architectuur, technologie, wetgeving en politiek. De moderniteit heeft hiermee een doos van Pandora geopend. Dat maakt desinformatie niet onschuldig, maar wel begrijpelijk.

Door desinformatie als immoreel te typeren ontstaat de suggestie dat helder is vast te stellen wat ware en onware informatie is, en wie daarover mag oordelen. De gevestigde orde en haar fact-checkers zouden dan beschikken over objectieve waarheid, terwijl afwijkende stemmen worden weggezet als dom, kwaadwillend of misleid.

20. Moraal als terugval

Wanneer de moderniteit haar eigen gevolgen niet meer kan dragen, grijpt zij terug op moraal. Waar maakbaarheid tekortschiet, verschijnt het morele oordeel. Dat oordeel doet een beroep op gehoorzaamheid, uitsluiting en disciplinering, en markeert daarmee een regressieve beweging: een terugkeer naar een ouder bewustzijn waarin waarheid absoluut was en afwijking gevaarlijk.

Met die terugval keren ook bekende patronen terug. Begrippen als settled science en Alternativlosigkeit claimen definitieve waarheid. Meningen worden uitgesloten, gecensureerd of moreel veroordeeld. Beeldvorming krijgt de kracht van volksgericht, en collectieve angst en agressie nemen toe.

Het moraliseren van desinformatie werkt in dit licht als een kanarie in de kolenmijn. Het laat zien dat het moderne bewustzijn in een impasse is geraakt en zijn eigen onzekerheid niet langer verdraagt. In plaats van deze onzekerheid onder ogen te zien, wordt zij bestreden met morele zekerheid.

Hoofdstuk VIII – Het symptoom herkend

21. De hotpants als metafoor

In eerdere perioden van maatschappelijke verandering zijn vergelijkbare reacties zichtbaar geweest. Zo riep de opkomst van de hotpants in de jaren zestig en zeventig hevige morele verontwaardiging op. De draagster ervan werd niet zelden weggezet als zedeloos of provocerend. Terugkijkend valt te zien dat de hotpants geen oorzaak was van maatschappelijke ontwrichting, maar een symptoom van een diepere ontwikkeling: de individualisering en de emancipatie van de vrouw.

Het morele verzet tegen deze uitingsvorm heeft de onderliggende beweging niet gestopt. Integendeel, de emancipatie zette door, terwijl het moralisme langzaam zijn vanzelfsprekendheid verloor. De uitingsvorm verdween of veranderde, de ontwikkeling bleef.

Op vergelijkbare wijze wordt desinformatie vandaag bestreden alsof zij de oorzaak is van maatschappelijke ontwrichting. Maar ook hier gaat het om een verschijningsvorm, niet om de bron. Wie het symptoom bestrijdt zonder de onderliggende dynamiek te begrijpen, loopt het risico precies datgene te herhalen wat hij zegt te willen voorkomen.

Hoofdstuk IX Slot – Een open vraag

22. Leven met ongewisheid

Er lijken op dit moment slechts twee dominante manieren te bestaan om met desinformatie om te gaan. Enerzijds is er de technocratische maakbaarheidsvisie, die blijft zoeken naar regels, systemen en interventies om het verschijnsel te beheersen. Deze benadering loopt het risico steeds restrictiever te worden en fundamentele vrijheden onder druk te zetten.

Anderzijds, wanneer deze maakbaarheid haar grenzen bereikt, grijpt de samenleving terug op moraal. Wat niet beheersbaar blijkt, wordt veroordeeld. Met de kennis van nu zouden we kunnen weten dat deze weg eerder tot verharding dan tot inzicht leidt.

Desinformatie is een verschijningsvorm van de postmoderniteit, voortgekomen uit decennia van individuele bevrijding en technologische ontwikkeling. De vraag is niet of dit wenselijk is, maar of wij bereid zijn dit verschijnsel te zien als een product van een wereld die wij zelf hebben voortgebracht. Misschien ligt de waarheid niet in het bestrijden van desinformatie, maar in het onderzoeken welke boodschap zij draagt over ons bewustzijn, onze instituties en onze omgang met onzekerheid.

 

Posted on Categories Society