Leiderschap in pandemische tijden: toon geen zwakte
Je gunt geen enkele leider een coronacrisis. En toch is het juist deze crisis die uitnodigt tot reflectie op leiderschap. Niet omdat zij uniek zou zijn, maar omdat zij iets blootlegt. Corona fungeert als een spiegel: zij toont ons hoe de staat handelt wanneer de druk oploopt, hoe leiders zich verhouden tot onzekerheid, en hoe burgers reageren wanneer macht en onmacht elkaar raken.
Pandemieën brengen de staat onvermijdelijk tot aan de grens van zijn mogelijkheden. Dat is geen tekortkoming, maar een gegeven. Opvallender is wat er gebeurt wanneer die grens zichtbaar wordt. Want juist daar, waar de middelen schaarser worden en het overzicht verdwijnt, blijkt zwakte zelden een optie. De reflex is een andere: macht versterken, optreden intensiveren, handelen versnellen. Niet zelden tegen beter weten in.
De coronacrisis en de pest: parallellen
In een artikel in de Neue Zürcher Zeitung beschrijft de Freiburgse hoogleraar Volker Reinhardt de parallellen tussen de pestepidemieën van de veertiende eeuw en de recente coronapandemie. De vergelijking gaat, zo erkent hij zelf, op tal van punten mank. En toch zijn er opvallende overeenkomsten, vooral waar het gaat om het gedrag van autoriteiten onder extreme druk.
Rond 1347 waren de experts theologen, astrologen en artsen. Zij kwamen tot de eensluidende diagnose dat de pest werd veroorzaakt door een ongunstige constellatie van de planeten, die giftige dampen naar de aarde zond. Mensen stierven door het inademen daarvan. De burger kreeg het advies geurige extracten op te snuiven, een streng dieet te volgen en vooral positieve gedachten te koesteren.
Ondanks deze stellige en ronkende adviezen stonden koningen en pausen de facto machteloos tegenover een crisis die het leven van iedereen acuut bedreigde. Daarmee kwam niet alleen hun bestuurlijke capaciteit onder druk te staan, maar vooral hun legitimiteit. Autoriteit ontleende haar rechtvaardiging aan aantoonbaar voordeel voor het volk. Zonder zichtbaar effect werd zij kwetsbaar, betwistbaar en uiteindelijk vervangbaar.
Toon geen zwakte
Uit deze kwetsbaarheid ontstond een principe dat sindsdien als een wetmatigheid door de geschiedenis van het gezag lijkt te lopen: erken onder geen beding de eigen hulpeloosheid. Radeloosheid mag niet zichtbaar worden. Integendeel, in tijden van crisis neemt de productie van verordeningen, instructies en sancties exponentieel toe. De machinerie van het gezag draait op volle toeren juist wanneer de grip op de werkelijkheid afneemt. Daadkracht tegen elke prijs; toon geen zwakte.
De parallellen met de coronacrisis laten zich nauwelijks negeren. Niemand zal ontkennen dat basale maatregelen als handhygiëne en afstand houden, zeker in het voorjaar van 2020, verstandig en proportioneel waren. Maar gaandeweg werd ook duidelijk dat de staat, net als in 1348, zijn grenzen bereikte. Regels voor de publieke ruimte werden aangescherpt en verfijnd, handhaving werd efficiënter dan ooit, terwijl tegelijkertijd de maatschappelijke weerstand groeide.
Wat buiten de eigen vier muren werd verboden, werd binnen de privésfeer vaak des te ongeremder ingehaald. De spanning verplaatste zich. Een bewakingsstaat die door het sleutelgat gluurt, kan niemand willen, laat staan een totalitaire staat.
Daarmee rijst een ongemakkelijke vraag: zou het niet juist de openlijke erkenning van deze grens zijn geweest, de constatering dat men zijn uiterste best doet, maar het ook niet precies weet, die het draagvlak voor essentiële veiligheidsregels had kunnen versterken? Zou bescheidenheid hier niet effectiever zijn geweest dan overstretch?
De pretentie/onmacht-paradox
De pandemie fungeert als een spiegel voor de staat van het land in tijden van crisis. Maar wie goed kijkt, ziet al snel dat deze spiegel geen uitzondering toont. Integendeel: de afgelopen jaren lijken we er herhaaldelijk tegenaan te lopen. De toeslagenaffaire geldt inmiddels als een erkend dieptepunt. De kwalificatie die de Volkskrant eind 2020 verbond aan het werk van de parlementaire commissie uitvoeringsorganisaties, “ambtenaar, burger en politiek zijn elkaar allang kwijt”, raakte een kern die verder reikt dan dat ene dossier. Voorbeelden laten zich gemakkelijk aanvullen.
Het heeft daarom weinig zin om deze ontsporingen afzonderlijk te analyseren, laat staan om nu alsnog naar individuele schuldigen te zoeken. De vraag is niet wie faalde, maar welk patroon zich hier manifesteert. Corona is als overheidsopgave uitzonderlijk in intensiteit en zichtbaarheid, maar niet in aard. Zij is geen anomalie, maar een uitvergrote manifestatie van een structureel probleem dat al langer aanwezig is.
Dat probleem laat zich benoemen met wat ik de pretentie/onmacht-paradox noem. De paradox ontstaat wanneer het politiek primaat geleidelijk verschuift van feitelijk richtinggevend vermogen naar de pretentie van richtinggevend vermogen, terwijl de staat zich tegelijkertijd steeds nadrukkelijker geconfronteerd ziet met de onmacht om complexe maatschappelijke processen daadwerkelijk te beheersen. Die onmacht wordt niet ontkend in de zin dat zij nooit wordt benoemd, zij duikt voortdurend op in incidenten, rapporten en crises, maar zij wordt wél ontkend op een fundamenteler niveau: als structureel gegeven.
De paradox zit precies in die spanning. Enerzijds kan de staat zich geen erkenning van fundamentele onmacht veroorloven, omdat zijn legitimiteit historisch is gebouwd op het idee van bestuurbaarheid en maakbaarheid. Anderzijds wordt die onmacht in de praktijk steeds zichtbaarder, juist door de toegenomen complexiteit van de samenleving, de versnelling van processen en de onderlinge verwevenheid van systemen. De reactie op deze spanning is niet terughoudendheid, maar (over)compensatie.
Die compensatie neemt herkenbare vormen aan. Structurele onmacht wordt gerationaliseerd met tijdelijke ingrepen: noodverbanden, extra wetgeving, aanvullende subsidies, nieuwe toezichthouders, weer een commissie, weer een verkiezing, weer een nieuw beleidsprogramma. Steeds opnieuw klinkt de impliciete belofte dat het hiermee alsnog onder controle komt. Dat is geen cynisme, maar een oprechte poging om greep te houden. Tegelijkertijd verraadt deze opeenstapeling van ingrepen juist het tegenovergestelde: het verlies van overzicht en samenhang.
Wat hier zichtbaar wordt, is een staat die steeds meer doet, maar steeds minder kan, steeds meer stuurt en steeds minder levert. Beleidsreacties volgen elkaar op in hoog tempo, maar missen een dragend kader en een goede inhoudelijke analyse. Het handelen verschuift van richtinggevend naar reactief. De staat belandt in een permanente overlevingsmodus, waarin incidenten leidend worden en structurele vragen vooruitgeschoven. De reflex om een commissie van gelouterde bestuurders en gedecoreerde wetenschappers een diagnose te laten stellen en een plan van aanpak te laten formuleren, past precies in dit patroon.
En juist daar wordt de paradox scherp: deze reflex bevestigt de pretentie van maakbaarheid, terwijl zij voortkomt uit onmacht. Het systeem probeert zichzelf te redden met de instrumenten die het probleem mede hebben voortgebracht.
Daarom is de pretentie/onmacht-paradox geen tijdelijke ontsporing, maar een zelfversterkend mechanisme. Hoe minder de staat in staat is complexe werkelijkheid daadwerkelijk te sturen, hoe sterker de behoefte wordt om die stuurkracht te tonen. Niet zelden verschuift de focus daarbij van effectiviteit naar symboliek. Maatregelen krijgen politieke waarde door wat zij uitdrukken: daadkracht, morele helderheid, betrokkenheid. De daadwerkelijke werking, de maatschappelijke impact of zelfs ontstane nevenschade verdwijnen naar de achtergrond.
Dat maakt deze paradox zo hardnekkig. Zij wordt niet in stand gehouden door kwade wil of incompetentie, maar door een diep verankerd bestuurs- en bewustzijnsparadigma. Politici, bestuurders, ambtenaren én burgers zijn erin verstrikt geraakt. De staat kan zijn onmacht niet erkennen zonder zijn legitimiteit ter discussie te stellen. Burgers verwachten van de staat juist dat hij beheerst, beschermt en ingrijpt. Zo houden beide zijden elkaar gevangen in een systeem dat steeds meer belooft en steeds minder kan waarmaken.
Het is daarom terecht om te zeggen dat er in deze paradox geen eenvoudige schuldigen zijn. Vingers wijzen helpt niet. Maar dat betekent niet dat er geen verantwoordelijkheid bestaat. Integendeel: juist omdat de paradox structureel is, vraagt zij om verantwoordelijkheid op systeemniveau. Dat vergt iets anders dan nieuwe maatregelen of aangescherpte regels. Het vraagt om het vermogen grenzen te erkennen — niet als falen, maar als uitgangspunt voor realistisch en proportioneel handelen.
Zolang de pretentie van maakbaarheid echter fungeert als impliciete legitimatie van het politieke handelen, blijft die erkenning uit. De paradox blijft dan werkzaam: onmacht wordt niet verdragen, maar overspeeld. En precies daarin ligt haar destructieve kracht. We moeten bereid zijn in te zien dat de werkelijkheid het politieke primaat boven het hoofd is gegroeid.
Symptomen van de pretentie/onmacht-paradox
De pretentie/onmacht-paradox manifesteert zich niet in één enkel falen of incident, maar in een samenhangend patroon van symptomen. Het zijn geen toevallige ontsporingen, maar terugkerende verschijnselen die samen wijzen op een systeem dat zijn eigen grenzen niet meer kan erkennen en daarom structureel overspeelt. Elk symptoom op zichzelf is verklaarbaar; gezamenlijk vormen zij een diagnose.
De uitvoering politiseert
Een van de meest zichtbare symptomen is dat de uitvoering politiseert. De staat blijkt steeds minder in staat zijn uitvoeringsorganisaties te sturen op een wijze die recht doet aan hun complexiteit. Grote uitvoeringsorganisaties functioneren niet als verlengstuk van politieke wil, maar als systemen met eigen dynamiek, interne spanningen en onvermijdelijke fricties. Juist daar wringt het.
Wanneer beleid onvoldoende uitvoerbaar blijkt, ligt versterking van de uitvoering voor de hand: meer vakmanschap, meer ruimte voor professioneel oordeel, meer terugkoppeling vanuit de praktijk. In plaats daarvan zien we vaak het tegenovergestelde gebeuren. De ambtelijke top wordt politieker gemaakt, loyaliteit aan de politieke lijn wordt belangrijker dan inhoudelijke tegenspraak, en complexiteit wordt niet geaccepteerd maar bestreden.
De impliciete veronderstelling is dat de werkelijkheid zich wel zal voegen wanneer zij maar vanuit het juiste perspectief wordt bezien. Alsof de politieke bestuurlijke bril voldoende is om uitvoering, rechtvaardigheid en proportionaliteit vanzelf te laten samenvallen. Dat is, op zijn mildst, een eenzijdige veronderstelling. De toeslagenaffaire heeft pijnlijk laten zien hoe destructief deze politisering kan uitpakken: burgers werden niet slachtoffer van een enkel falend besluit, maar van een systeem dat afwijking niet meer kon verdragen.
De dialoog polariseert
Een tweede symptoom is de toenemende polarisatie van de dialoog. In een functionerend systeem leidt falen tot reflectie, heroriëntatie en uiteindelijk transformatie. In een systeem dat zichzelf echter organiseert rond het politiek primaat, en dat primaat tot hoogste orde verheft, is falen principieel niet systemisch, maar persoonlijk of politiek toe te wijzen.
De structuur van coalitie en oppositie versterkt dit mechanisme. Falen kan slechts veroorzaakt zijn door ‘de ander’. De mogelijkheid dat de werkelijkheid zelf complexer is geworden dan het systeem aankan, wordt niet waargenomen. Het gevolg is voorspelbaar: standpunten worden aangescherpt, uitvergroot en herhaald. Het centrum verliest betekenis, nuance wordt verdacht en twijfel gelijkgesteld aan zwakte.
De middelpuntvliedende kracht neemt toe. Politiek wordt strijd, debat wordt positionering, dialoog wordt tactiek. In zo’n klimaat kan geen gezamenlijke werkelijkheid ontstaan waarin fouten erkend en gecorrigeerd worden. Het systeem beweegt zich steeds sneller, maar verliest richting, tot het uit de bocht vliegt.
Politieke correctheid als defensiemechanisme
Een derde symptoom is de normativiteit van politieke correctheid. Naarmate bestuurlijke effectiviteit afneemt, verschuift de maakbaarheidsambitie van tastbaar handelen naar taal, houding en moraal. Waar resultaten uitblijven, moet in ieder geval de intentie zichtbaar zijn. Moreel juiste taal fungeert dan als surrogaat voor effectief bestuur.
Moraal is op zichzelf geen probleem. Integendeel: zij vormt een onmisbaar kompas voor politieke en maatschappelijke afwegingen. Problematisch wordt zij wanneer zij een defensiemechanisme wordt. Wanneer morele verontwaardiging het ontbreken van handelingsvermogen maskeert. Wanneer ethiek niet langer uitnodigt tot reflectie, maar fungeert als sluitstuk van het debat.
In dat geval verhardt moraal. Zij sluit af in plaats van te openen. Afwijking wordt niet meer opgevat als verschil van inzicht, maar als tekortschieten. De ruimte voor ambivalentie, twijfel en proportionaliteit verdwijnt. Moraal wordt dan geen richtingwijzer meer, maar een instrument van beheersing. En de overtreffende trap van politieke correctheid is het taboe.
De erosie van taal
Nauw hiermee verbonden is de erosie van bestuurlijke taal. Bestuurders bedienen zich steeds vaker van absolute begrippen: “onmogelijk”, “onaanvaardbaar”, “ontoelaatbaar”, “niet-acceptabel”. Incidenteel kan dat functioneel zijn. Maar duurzaam gebruik van zulke termen heeft een prijs.
Een bestuurder is geen neutrale commentator, maar een magistraat: iemand die handelt, beslist en verantwoordelijkheid draagt. Absolute taal suggereert het hebben van daadkracht, maar wordt steeds meer de vervanger van daadkracht.
Het herhaald gebruik van dergelijke taal holt de geloofwaardigheid uit. Het publiek leert dat woorden niet langer proportioneel zijn aan daden. Wat bedoeld was om duidelijkheid te scheppen, draagt bij aan cynisme en wantrouwen. Taal verliest haar dragende functie en wordt symbolisch en leeg.
Focus op details en incidenten
Een vijfde symptoom is de fixatie op details en incidenten. Bestuur is iets anders dan management. Bestuur vereist distantie, overzicht en visie; het vermogen om voorbij het incident te kijken en patronen te herkennen. Toch raken politici, bestuurders en topambtenaren steeds meer verstrikt in het managen van media-incidenten met een levenscyclus van enkele uren of dagen.
De aandacht voor het uitzonderlijke verdringt de aandacht voor het structurele. Statistiek en langjarige trends leggen het af tegen het drama van de dag. Media versterken dit mechanisme, niet uit kwaadaardigheid, maar omdat hun logica onze primaire instincten activeert: verontwaardiging, angst, identificatie.
Het gevolg is bestuurlijke kortademigheid. Beleidsreacties worden ad hoc, proporties verschuiven en consistentie verdwijnt. Het systeem reageert voortdurend, maar handelt steeds minder. De leider wordt volger maar houdt zijn keizerskleren gewoon aan.
De groei van risico-angst
Al deze symptomen wijzen in dezelfde richting: de groei van risico-angst. De pretentie/onmacht-paradox markeert een impasse, economisch, sociaal, politiek en moreel. In plaats van te creëren, te ontwikkelen en ons aan te passen, worden we defensief. Het vermijden van verlies wordt belangrijker dan het realiseren van waarde.
De maakbaarheidsidee verschuift van creatie naar preventie. Niet langer: wat willen we mogelijk maken, maar: wat moeten we voorkomen? Risico wordt de dominante categorie. Elk risico wordt ervaren als falen, elke onzekerheid als tekortkoming.
In zo’n klimaat wordt onmacht ondraaglijk. En precies daarom moet zij worden ontkend. De paradox sluit zich.
Moderniteit en individualisering: versplintering van materie en geest
De pretentie/onmacht-paradox is geen toevallig bestuurlijk falen, maar geworteld in een diepere ontwikkeling. Wie wil begrijpen waarom de staat steeds vaker overspeelt wat hij niet meer kan dragen, moet verder kijken dan beleid en instituties alleen. De oorsprong ligt in de moderniteit zelf: in de wijze waarop wij de wereld hebben leren begrijpen, beheersen en uiteenzetten — en hoe diezelfde beweging zich heeft voortgezet in ons denken over onszelf.
Wat volgt is geen historische excursie, maar een poging om zichtbaar te maken hoe versplintering van materie en versplintering van geest elkaar zijn gaan versterken, en zo de bestuurlijke impasse van onze tijd mede hebben voortgebracht.
Complexiteit en controleverlies
Overheidsorganisaties zijn in de afgelopen decennia buitengewoon complex geworden. Dat is geen incident, maar het gevolg van een langdurige ontwikkeling waarin maatschappelijke differentiatie, digitalisering, schaalvergroting en wisselende politieke prioriteiten elkaar hebben versterkt. Waar organisaties ooit overzichtelijk waren, met relatief korte lijnen en herkenbare verantwoordelijkheden, functioneren zij inmiddels als gelaagde systemen met talloze onderlinge afhankelijkheden.
Daar komt bij dat de overheid haar werkterrein niet kan afbakenen zoals het bedrijfsleven dat kan. Een onderneming kan besluiten zich terug te trekken uit een markt, een productlijn te beëindigen of risico’s te mijden. De overheid kan dat niet. Zij kan niet stoppen met jeugdzorg omdat die te complex of te duur is, niet ophouden met sociale zekerheid omdat de uitvoering ontspoort, en niet afzien van crisisinterventie omdat de effecten onvoorspelbaar zijn. Juist waar de complexiteit het grootst is, wordt haar aanwezigheid het meest geëist.
Lange tijd bood een planning-and-control-benadering nog enige houvast. Beleidsdoelen werden geformuleerd, middelen toegewezen, uitvoering gemonitord. Maar veel grote overheidsorganisaties zijn inmiddels geëvolueerd tot wat in de systeemtheorie complexe adaptieve systemen worden genoemd. Dergelijke systemen vertonen niet-lineair gedrag: kleine ingrepen kunnen grote gevolgen hebben, terwijl grote inspanningen nauwelijks effect sorteren. Causaliteit is diffuus, effecten manifesteren zich vertraagd of onverwacht.
Hoewel het begrip complexiteit breed wordt gebruikt, is het inzicht in de consequenties ervan beperkt. Complexiteit betekent niet slechts “ingewikkeld”, maar fundamenteel onvoorspelbaar binnen klassieke sturingsmodellen. Dat inzicht botst frontaal met een politiek-bestuurlijke cultuur die is gebouwd op beheersing, voorspelbaarheid en verantwoording. Hier begint het controleverlies — niet omdat bestuurders falen, maar omdat het instrumentarium niet langer past bij de aard van de werkelijkheid.
Materie
De wortels van deze complexiteit reiken diep. In de moderniteit hebben wij de wereld systematisch ontleed om haar te begrijpen. Door analyse, differentiatie en specialisatie hebben we materie uiteengelegd in steeds kleinere eenheden. Die reductie maakte kennis mogelijk, en kennis maakte handelen mogelijk. De Verlichting was in dat opzicht noodzakelijk en vruchtbaar. Zij bracht ons wetenschap, technologie, welvaart en ongekende vooruitgang.
Maar elke manier van kijken heeft een schaduwzijde. De voortdurende opsplitsing van de werkelijkheid heeft niet alleen begrip opgeleverd, maar ook fragmentatie. Waar samenhang ooit vanzelfsprekend was, resteren nu subsystemen, expertises, disciplines en beleidsdomeinen die elk hun eigen logica volgen. De wereld is maakbaar geworden in onderdelen, maar onbestuurbaar als geheel.
Wat wij tegenwoordig ervaren als “chaos” is geen afwezigheid van orde, maar een overvloed eraan. Het is een orde die niet meer zichtbaar is vanuit één perspectief. We proberen haar te beheersen met instrumenten die stammen uit een tijd waarin complexiteit nog oplosbaar leek: hiërarchie, centralisatie, standaardisering. Maar deze instrumenten zijn ontwikkeld voor een wereld waarin oorzaak en gevolg nog overzichtelijk waren.
In plaats van deze mismatch te erkennen, reageren we met een intensivering van dezelfde logica. Meer data, meer regels, meer controle. Niet omdat we denken dat het werkt, maar omdat het alternatief, erkennen dat we het geheel niet meer overzien, existentieel ongemakkelijk is. Zo belanden we in een eigentijdse variant van middeleeuws mysticisme: symboliek in plaats van inzicht, rituelen van beheersing, morele taal die onzekerheid moet bezweren.
Geest
Wat zich in onze instituties heeft voltrokken, heeft zich ook in de menselijke geest afgespeeld. De versplintering van de materiële wereld heeft haar pendant in de versplintering van betekenis, waarheid en identiteit. Dat proces hebben wij individualisering genoemd, en terecht. Het was een bevrijding uit de dwang van groep, traditie en autoriteit.
Maar ook hier geldt: wat bevrijdt, kan doorschieten. Wanneer waarheid volledig wordt geprivatiseerd, verdwijnt het gedeelde referentiekader. Als iedereen gelijk heeft, wat betekent gelijk dan nog? Als elke overtuiging even valide is, waar ligt dan de grens tussen mening en misleiding, tussen verschil en ontkenning van werkelijkheid?
De belofte van de moderniteit was dat we de dictatuur van de groep zouden verruilen voor de vrijheid van het individu. In de praktijk bewegen we ons steeds vaker van de ene dictatuur naar de andere. Niet langer bepaalt de groep wat waar is, maar het individu. Het collectieve wordt verdacht, het gedeelde problematisch. Wat resteert is een mozaïek van perspectieven zonder verbindend centrum.
Zolang de materiële werkelijkheid nog enigszins bestuurbaar was, kon deze mentale fragmentatie worden gecompenseerd. Maar wanneer ook de materie onoverzichtelijk wordt, botsen twee vormen van chaos op elkaar. De versplinterde geest ontmoet de versplinterde materiele wereld. Het vermogen om gezamenlijk richting te geven verdampt.
Sociale media
Sociale media zijn geen externe verstoringen van dit proces, maar er een uitdrukking van, en tegelijk een krachtige versneller. Zij belichaamden eerst de belofte van radicale democratisering: vrije meningsuiting, directe toegang tot informatie, het einde van gecentraliseerde macht over waarheid. Dat alles was reëel en waardevol.
Maar sociale media zijn geen neutrale platforms. Hun technologie en verdienmodellen zijn gebouwd op het maximaliseren van aandacht, en aandacht wordt effectiever gegenereerd door emotie dan door reflectie. Verontwaardiging, angst en morele verontreiniging circuleren sneller dan nuance of twijfel.
Het gevolg is een regressie in communicatie. We vallen collectief terug op een pre-rationeel niveau, waarin beelden, frames en vijandbeelden domineren. Incidenten worden uitvergroot tot symbolen, individuele drama’s krijgen universele betekenis. Waarheid verliest haar verankering in gedeelde verificatie en wordt vloeibaar.
Deze dynamiek is moreel leeg. Fake news is geen links of rechts fenomeen, maar een structureel bijeffect van een mediasysteem met autonome logica. Een verschijnsel heeft geen moraal; het volgt zijn eigen wetten. Iedere dag wordt een nieuw slachtoffer gevonden, publiekelijk ontmanteld op het digitale marktplein. De dynamiek is middeleeuws in vorm, technologisch geperfectioneerd in uitvoering.
Sociale media versterken daarmee precies datgene wat het bestuur verzwakt: versnippering, emotionalisering en kortademigheid. Zij maken het steeds moeilijker om complexiteit te verdragen, nuance te behouden en gezamenlijke betekenis te construeren.
Complexiteit, maakbaarheid en bewustzijn
Karl Popper heeft in een van zijn hoofdwerken een interessante, bijna ironische observatie over maakbaarheid in relatie tot complexiteit, aan de hand van een begrip dat dezer dagen welig tiert: de complottheorie. De denkfout, zegt hij, bij de aanhangers van complottheorieën is dat zij menen dat instituties zo zijn te construeren dat ze voornemens en plannen helder en succesvol kunnen realiseren. Maar, zegt hij, een moderne maatschappij kenmerkt zich er veel meer door dat zij een complexe structuur met ongedachte gevolgen produceert. Daarom zal geen enkel complot, hoe briljant ook, slagen. De realisatie zal altijd sneuvelen als gevolg van de complexiteit van de sociale werkelijkheid. Of Popper met deze visie het verschijnsel complot definitief heeft ontmanteld valt te bezien, maar de denklijn is relevant en plausibel in onze these.
Complexiteit en maakbaarheid zijn beide typische symptomen van het moderne bewustzijn, en ze bijten elkaar. Complexe systemen zijn niet maakbaar, in constructivistische zin; zij vereisen een andere wijze van sturing. De samenloop van complexiteit en de maakbaarheidsidee creëert een impasse: de pretentie/onmacht-paradox.
Onze kijk op complexiteit wordt bepaald door het bewustzijn van waaruit we kijken. Bewustzijn is de manier waarop we naar de wereld en onszelf kijken, en we beschouwen dat als de werkelijkheid. In de middeleeuwen was alles wat onbegrijpelijk en onbeheersbaar was van God. Daarmee stond complexiteit gelijk aan het Goddelijke, en chaos was een door God gegeven feit.
Onze huidige bestuurlijke structuren en principes dateren van de vorige eeuwen, toen het groepsdenken nog hoogtij vierde. Identiteit en positie werden ontleend aan de groep waartoe je behoorde. Autoriteit was een aanvaard kenmerk van de groep. In deze periode is complexiteit nog een oplosbaar vraagstuk dat je aan ingenieurs moet overlaten, want een ingenieur is een autoriteit. Dat was prima om de eerste spoorlijn, die van Haarlem naar Amsterdam, aan te leggen en feestelijk te openen. Het volstond zeker nog om de Zuiderzee in te polderen. Maar met bijvoorbeeld de WAO (1967) kwamen we in een grensgebied. Politiek en maatschappelijk was deze stap logisch en zinvol. Vanuit de complexiteitstheorie was dit echter al een riskante stap: er gingen ongedachte en ongewenste bijeffecten ontstaan.
Toen de moderniteit in de jaren zestig collectief doorbrak, kwam er zo’n gigantische hoeveelheid ontketende individuele creativiteit, energie en ambitie vrij dat we daarmee enkele decennia grote maatschappelijke vooruitgang konden boeken. De emancipatie bloeide als nooit tevoren. Maakbaarheid bestond! Deze periode wordt in Frankrijk niet voor niets “les Trentes Glorieuses” (‘45-‘75) genoemd.
Onze vrijheid was toen nog nieuw; we hadden de groep nog maar ten dele verlaten. Daarom veronderstelden we dat vrijheid maakbaarheid impliceerde. “Ik denk, dus ik doe”, vrij naar Descartes. De maakbaarheidsidee had de reputatie een overwegend links thema te zijn. En inderdaad, na de Tweede Wereldoorlog streden het groepsbewustzijn via het conservatisme en de moderniteit via progressivisme een felle strijd tussen het oude en het nieuwe bewustzijn.
Toen in de tachtiger jaren de euforie van de moderniteit voorbij was, kwam er korrel voor korrel zand in de machine. De beste van alle werelden, de Westerse, was imperfect — en dat was onverdraaglijk. En daarom werd dat ontkend. Als de maakbaarheid begrensd leek, dan kwam dat omdat de overheid te klein was. Meer geld, meer ambtenaren. In vergelijking met medio jaren zestig heeft de overheidsbegroting 5,5 maal het volume van nu. Maar tussen 2006 en vandaag is die nog verdubbeld.
Vanaf die periode domineert het bewustzijn van de moderniteit: de pretentie van het individu, van het ego. In brede kring. Dat bewustzijn leidt tot een veel algemenere en versterkte maakbaarheidsillusie. In progressieve kringen is maakbaarheid een product van de staat, en in liberale kringen is maakbaarheid een product van de markt. De versplintering van politieke facties neemt toe, maar de diversiteit van het politieke dogma degradeert tot één enkele these: maakbaarheid. Vanuit dit bewustzijn zien we complexiteit als mismanagement, óf als een vraagstuk dat we aan wetenschappers moeten overlaten. Chaos, leert de Van Dale immers, is “verwarring, wanorde”.
Om die reden zal geen coalitie van bestaande partijen de pretentie/onmacht-paradox kunnen doorbreken. Het ontbreekt in de politiek aan countervailing power tegenover de maakbaarheidsidee. En dus vinden de drama’s plaats zoals de toeslagenaffaire. Sterker, anno 2021 is zelfs de VVD nog meer van de maakbaarheid en voorstander van een sterke overheid. Dat lijkt een opmerkelijk vooruitstrevende ontwikkeling bij deze vanouds liberale partij, maar het is feitelijk een logische versterking van de paradox. En dit zal het effect zijn: meer overheid naarmate de overheid onmachtiger wordt, en onmacht die verder escaleert. Die zal zich nog sterker voordoen als pretentie. Als deze pretentie voor de staat zelf tenslotte onverdraaglijk wordt, zal hij die projecteren op de burger. Als die het passende gedrag vertoont, komt alles goed: er volgen steeds meer ge- en verboden.
Voorbij de maakbaarheidsillusie
Beschouwen we de coronacrisis in dit licht, dan zien we een staat die handelde zoals van hem verwacht kon worden in een risico-averse samenleving met een diepgewortelde maakbaarheidsobsessie. Tegelijkertijd overspeelde hij zijn hand. Ingrepen kregen symbolische politieke waarde, terwijl de collateral damage nauwelijks werd overzien. Daarmee raakte het proportionaliteitsbeginsel, fundament van de rechtsstaat, uit beeld.
In de psychologie heet het ontkennen van fundamentele onmacht denial. De pogingen om deze ontkenning te verhullen met meer regels, meer overheid en meer belastingen, noemen we rationalisaties. Begrijpelijk, maar niet zonder gevolgen.
Er is geen klassieke oplossing. De vraag naar een oplossing is zelf een uitdrukking van het maakbaarheidsdenken. Wat wel mogelijk is, is leren verdragen dat we met wicked problems te maken hebben. Dat maakbaarheid grenzen kent. En dat handelen daarom gedoseerd, pragmatisch en realistisch moet zijn.
Misschien is dat het begin van een andere fase van bewustzijn. Niet een nieuwe grote blauwdruk, niet de zoveelste vlucht vooruit. Maar een herwaardering van bescheidenheid, van niet-weten, van handelen zonder de pretentie de wereld te redden.
Zoals iedereen zich herinnert hoe het was om van de lagere naar de middelbare school te gaan: je begint opnieuw, onderaan. Het oud-Griekse chaos betekent leegte. In die leegte zullen we moeten leren verblijven, zonder angst, zonder overcompensatie, met oog voor alle consequenties, ook die welke ons minder goed uitkomen.
Misschien moeten we daar beginnen.